889 woorden: kinderen van Carver

Een column voor literair tijdschrift Passionate.

Ik ben een kind van Raymond Carver – alles moet uitgebeend worden. Of beter: ik ben een kind van Raymond Carver en zijn meedogenloze redacteur Gordon Lish, die het mes nog even flink zijn gang liet gaan als Carver zijn verhalen in had geleverd. Ik geloof in precies genoeg vertellen. Ik las ergens dat Mulisch had gezegd dat niet de schrijver fantasie moet hebben, maar de lezer, en ik denk dat ome Harry daar gelijk in had. Vertel je lezer hoe een kamer eruitziet door te zeggen dat er een wasrekje met onderbroeken staat en je bent klaar. En beschrijf vooral je personages niet, of ze moeten een houten been hebben – en dan moet dat houten been iets zeggen over het personage. Vertel me niet dat de man die om de hoek staat te wachten 'koude ogen' heeft, om maar iets te noemen. Die koude ogen verzin ik er zelf wel bij als we een paar bladzijden verder zijn. Dit is een klootzak, zeg, ik durf te wedden dat ie koude ogen heeft. Toch zijn er lange planken te vullen met klootzakken die van hun schrijvers koude ogen hebben meegekregen.

Nu ben ik zelf een klootzak met koude ogen die vindt dat de hele wereld eruit moet zien zoals ik wil dat ie eruit ziet en elk boek geschreven moet zijn zoals ik vind dat ze geschreven moeten zijn, maar misschien moet dat maar eens afgelopen zijn.
Als ik een boek schrijf, heb ik daar een bepaalde bedoeling mee (en ik moet nog eens bedenken wat die bedoeling is) maar andere schrijvers hebben andere bedoelingen, natuurlijk.

Ik ben al een hele tijd aan het lezen in Jonathan Franzens Freedom, en Franzen heeft het niet bepaald van Carver geleerd: als er nog iets uitgelegd moet worden, voelt ie zich daar niet te beroerd voor. Moeder Patty in het boek is competitief ingesteld, daar krijgen we enkele tientallen voorbeelden van, maar gelukkig benoemt zoon Joey het nog even duidelijk: al die problemen met m’n moeder komen omdat ze zo competitief is ingesteld!

Een kind van Raymond Carver en Gordon Lish zou er zachtjes van gaan huilen. Maar verdomd: ik kan het boek niet meer wegleggen, de laatste dagen.

Het niet weg kunnen leggen van een boek hoeft niet per se van literaire kwaliteit te getuigen, want juist de grootste pageturners hoeven niet al te best geschreven te zijn, maar Freedom overtuigt me langzaam dat uitleggen soms wel toegestaan is. Franzen wil uitleggen. Het is de functie van zijn boek: uitleggen hoe de wereld volgens hem in elkaar steekt. En hij doet dat heel goed leesbaar.

Jan van Mersbergen, ook zo’n Carver-kind, klaagde onlangs op twitter over het gejuich over Freedom en kwam met een paar voorbeelden van kromme zinnen, maar die zinnen kwamen uit de Nederlandse vertaling, en ik heb het hier al eens eerder gezegd: ik geloof niet in vertalingen. Er bestaat een kans dat ik over de kromme zinnen in Franzens Engels heen lees, of ik ben opgegroeid met een subset van echt Engels; misschien ken ik alleen maar Engels dat in boeken en films wordt gebruikt en is dat voor mij Engels zoals het hoort.

Maar ik vind het dus wél goed geschreven. Sterker nog: ik ben af en toe behoorlijk jaloers op Franzen. Want behalve mooie zinnen schrijven, laat Franzen de pagina’s vollopen met ellende die zijn personages over zichzelf afroepen, en dat is zoveel meer ellende dan kinderen van Carver zelfs maar zouden durven gebruiken. Als je zo’n navelstaarder zoals ik bent, is de kans dat je uitgelachen wordt als je zo’n hoeveelheid misère uit je eigen ervaringen weet te peuren. Maar uitgelachen worden zou dan niet onterecht zijn.

Ik denk dat Carver en zijn kinderen alleen maar pogingen doen te ontdekken hoe ze zelf in elkaar steken – aan uitleggen, zoals Franzen doet, zijn ze nog lang niet toe. En als je wil ontdekken hoe je zelf in elkaar steekt, kan je dat maar beter stukje voor stukje doen. Elke vorm van iets te barokke hysterie moet daarbij vermeden worden, want dan beledig je je lezer. Kinderen van Carver moeten begrijpen dat ze veel van hun lezers vragen. Hier is mijn navel, ik begrijp zelf nog niet zo goed wat ik bedoel, maar heeft u zin een eindje met me op te lopen? Dan zal ik zo helder mogelijk proberen te zijn. Duidelijk is het niet; niet voor mij, althans, dan had ik het boek niet hoeven schrijven. Maar ik heb alle ruis weg proberen te houden.

Franzen hoeft dat niet. Franzen heeft van te voren gezegd: ik heb een paar ideeën over hoe de wereld in elkaar zit, en die ideeën ga ik in een boek verwerken, en dan lezen een hoop mensen dat, en dan heb ik mijn ideeën overgebracht; de lezers mogen dan zelf zien wat ze ermee doen.

Kinderen van Carver zijn in hun bescheidenheid veel arroganter. Eigenlijk is het ongelooflijk dat ik de arrogantie heb gehad het ooit allemaal op te schrijven. Want maak ik er iemand wijzer mee? Breng ik ideeën over de wereld over op mijn lezer waar ze iets mee kunnen? Misschien herkent de lezer iets van zichzelf in mijn geneuzel, maar dat kan mij natuurlijk niets schelen. Het gaat over mij. En ik probeer het de lezer allemaal te voeren. Heel klootzakkerig, heel berekenend, heel erg koude ogen.

# | Vier reacties | 04 Mei 2011

vi-de-o-theek

Toen mijn ouders een winkel hadden in Slotermeer, kwam er een videotheek naast de winkel, en 's avonds aan tafel zeiden mijn ouders: dat wordt natuurlijk niks, een 'vi-de-o-theek'.

Maar Videotheek de Sloterplas werd een keten van een stuk of zes, zeven winkels, en in die begintijd konden ze het maken om 12,50 in guldens te vragen voor de nieuwste films. Een gouden idee, zo'n vi-de-o-theek.

Ik zat met de dochter van de baas in de klas en ik weet niet of ze er thuis veel van merkten, dat gouden idee, want ze zijn nog heel lang in een flatje achter de Louis Couperusstraat blijven wonen, misschien stak hun vader al het geld in nieuwe videotheken (en later in de sponsoring van de Zwarte Schapen, een licht roemruchte voetbalclub), maar er was een absolute bloeitijd voor videotheken.

Die bloeitijd is voorbij. Bij Fame in de Kalverstraat kun je nu je eigen dvd's kopen voor de prijs waar de Sloterplas ze vroeger voor verhuurde.
Een van de vestigingen van de Sloterplas (of Big Brother, het is me nooit duidelijk geworden hoe de keten later is gaan heten) zit op de hoek van waar we nu wonen, en met een dikke witte kwast staat er op de ramen geschilderd 'wij houden ermee op'. En: 'na 32 jaar sluiten wij onze winkels'.

Einde van een tijdperk. Maar voor goeie films hoefde je al heel lang niet meer op de hoek binnen te lopen (de filmposters die ze ophingen waren altijd voor de slechtst mogelijke films die ze in huis hadden, zo leek het wel), en de blauwe en rode neonverlichting gaf de hoek een nogal sleazy uitstraling, dus veel gaan we er niet aan missen.
Ik hoop voor de eigenaar dat ze niet te keihard failliet zijn gegaan.

# | Drie reacties | 07 April 2011

Mijn oude moedertje


Mijn oude moedertje is afgelopen dinsdag overleden. Het zat er al een tijdje aan te komen. De laatste maanden waren relatief rustig, geen longontstekingen meer waardoor ze weer naar het ziekenhuis moest, maar de wereld was niet zo duidelijk meer voor haar, en dat vond ze zelf erg frustrerend. Ze kon heel erg hard zoeken naar woorden, en ze zei vaak: als ik weer beter ben, mag je het me allemaal eens goed uitleggen. Tot die tijd lachten we er samen maar om. 'Ik zal wel weer in de war zijn,' zei ze dan spottend. Heb je echt geen broer? vroeg ze me een paar keer, de laatste weken. We kwamen samen lachend tot de conclusie dat ze die dan weggegeven moest hebben.

Acht jaar hard werken om een beetje adem te kunnen halen met die longemfyseem, dat had haar al flink uitgeput, en al die verwarring erbovenop -- dat werd haar net iets te veel.
Het is goed zo. Een leuk leven had ze al een hele tijd niet meer, en het zou ook niet meer leuk worden.

Ik heb veel over haar geschreven hier, en ik heb haar voor de continuïteit altijd mijn oude moedertje genoemd, maar daar heb ik haar een beetje te kort mee gedaan, natuurlijk. Misschien is er het beeld van een klein, krom vrouwtje met een blauwe kleurspoeling ontstaan, maar mijn moeder, mijn lieve, stoere, mooie moeder was altijd het tegenovergestelde. Ze had haar fouten, en daar kan ik vast nog wel een paar boeken over schrijven, maar ze was heel intelligent, heel grappig -- een heel bijzondere vrouw.

Met mij gaat het goed. Er zijn momenten dat ik haar mis, en we moeten haar nog begraven, maar ik heb een paar jaar de tijd gehad om afscheid te nemen van de vrouw die mijn moeder was. Haar persoonlijkheid veranderde een tijdje terug al, misschien onder invloed van alle slechte dingen die ze mee had gemaakt, geen idee, misschien was er toen al een lichte aanzet van wat later het 'in de war zijn' zou worden. Dat maakt het minder zwaar voor mezelf. Het idee dat ze door die veranderde persoonlijkheid geen enkel moment meer blij was, dat doet dan weer een beetje pijn. Moet een mens daarvoor oud worden, voor zo'n waardeloos leven?
Maar ja: de pijn die zij had, lichamelijk, geestelijk, is nu weg.

Twee jaar geleden, toen de longemfyseem zover was gevorderd dat het eigenlijk een klein wondertje is dat ze het nog zolang heeft uitgehouden, wilde ze al wat dingen regelen voor haar begrafenis. Ik ben met haar meegefietst, zij in haar scootmobiel, naar begraafplaats Sint Barbara. Daar hebben we toen een mooie hoek uitgezocht (toen mijn zuster en ik gisteren gingen kijken voor de definitieve plek, zagen we een mooie bloesemboom waarvan de knoppen al flink roze begonnen te kleuren, dus daar komt ze te liggen; je zal zien dat die boom bij de begrafenis keihard bloeit), ze heeft gezegd dat ze fresia's bij de uitvaart wilde, en als muziek wilde ze My Way, van Andy Williams. Ik verzuchtte toen dat dat van Frank Sinatra was en dat Andy Williams nooit My Way heeft gedaan, en twee jaar lang heb ik met het idee rondgelopen dat we dan maar een soort van combinatie moesten draaien, maar ze had hartstikke gelijk.
# | 28 reacties | 25 Maart 2011

Huilie huilie: kom maar, geenstijl-jügend

Op about:blank staat een stuk (beetje rare layout, hij staat aan de rechterkant van de pagina) van een anoniempje dat klaagt over het feit dat Dominique Weesie van geenstijl.nl 'Blogger van het decennium' is geworden. In 2008 heb ik een column voor Passionate geschreven met hetzelfde idee dat de anonieme schrijver had.

Ik geloof niet dat ik deze column eerder online gezet heb - waarschijnlijk was ik bang voor de geenstijl-jügend die hier massaal komt zeggen dat ik geen huilie huilie moet doen.
Nou ja, weet je wat: zeg het maar gewoon. Ik doe huilie huilie.


Ik heb een stokpaardje, en hoewel ik me bewust ben van het feit dat mensen met stokpaardjes heel vervelend zijn, gooi ik 'm erin. Hatsee, hier is ie: het Nederlandse deel van het internet is stom.

En iets preciezer: het Nederlandse deel van het internet hangt aan elkaar van bekrompenheid, egocentrisme, navelstaarderij, scheldpartijen en foto’s van huisdieren.

Persoonlijk maak ik me schuldig aan al het bovenstaande. Wat mij weer voer voor mijn stokpaardje oplevert, want ik ben graag slachtoffer van mijn omgeving. Ik heb heel lang een schrijflog gehad waar ik het navelstaren tot de norm van het Nederlandse internet heb verheven; ik ben in 2000 begonnen met zeuren over dingen die me bezighielden (mijn kat, ritjes in de tram en wachten in de rij bij de kassa), en geloof het of niet, maar: in die tijd was ik daar de enige in. Nou ja – vrijwel de enige. Ik weet for a fact dat er een heleboel schrijflogs door mij zijn geinspireerd.

Daar heb ik een dubbel gevoel over: ik ben trots op zoveel invloed en ik schaam me voor het eindproduct: honderdduizenden weblogs waar mensen vertellen over hun avonturen in de rij bij de kassa. (Begrijp me niet verkeerd: als een stukje goed geschreven is, is het altijd de moeite waard, ook al gaat het helemaal nergens over, maar er zijn zoveel mensen die niet doorhebben dat dat dus de bedoeling is: je stukje dat nergens over gaat zo goed schrijven dat het niet meer uitmaakt dat het nergens over gaat.)

Ik ben zelf wel zo'n beetje opgehouden met dat soort stukjes, maar ik zet regelmatig foto’s van mijn hond op flickr. Mea culpa, zonder meer.
Ach ja – het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje.

In Nederland betekent het internet: mensen afzeiken op geenstijl.nl, fora over wasmachines en weblogs met te veel slecht geschreven verhalen over in de rij bij de kassa staan.

Kijk: met die fora en die neuzellogs kan ik heel goed leven. Dat valt allemaal te negeren, tenslotte. Maar wat mij al jaren pijn doet, is het gigantische succes van afzeikweblog geenstijl.nl. Op geenstijl worden mensen te kakken gezet, en geen enkel middel wordt geschuwd. Geenstijl is het succesvolste weblog van Nederland. En dat is eng. Vooral de mensen die reageren maken het unheimisch: de berichtjes van de redactie zijn naar, maar de reacties zijn echt van idioten. Wat helemaal gaat schuren is dat er ook nog commentaar wordt weggejorist door de redactie – als er dingen worden geschrapt die nog erger zijn dan wat er blijft staan, ben ik bang voor Nederland. Dat is dan het internet dat de gemiddelde Nederlandse huiskamer binnenkomt, want dat is het internet dat media-aandacht krijgt.

Ik was zo gelukkig geweest als weblogachtigen met een positief idee hadden gefloreerd in Nederland. Maar dat doen ze niet. Mooismagazine.nl [noot 2011: niet meer erg levend] heeft een serie Dutch Bloggies (een jaarlijkse prijs voor de beste weblogs) gewonnen, maar dat is waarschijnlijk omdat de jury van de Bloggies hetzelfde idee had als ik: was het maar leuk op het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje. Want mooismagazine.nl is een prachtig concept (iedereen die iets leuks te vertellen heeft, mag dat vrijuit doen), maar in m’n feedlezer zie ik maar twee niet altijd even goed geschreven postjes per week voorbij komen.

Er gaat in Nederland nooit iets moois van de grond komen, en dan echt goed van de grond komen, wat internet betreft, omdat Nederland bestaat uit zeikerds en mensen die het lievcr alleen doen, als ze iets kunnen.

Weet u: ik ben blij dat ik niet zo iemand ben die roept dat ie wel ergens anders gaat wonen omdat dit zijn land niet meer is, maar ik geloof dat ik wel al virtueel geëmigreerd ben.

Ik ben alleen heel even teruggekeerd toen Rita Verdonk een tijdje terug met haar wiki kwam. Rita had een beweging en die beweging ging naar het volk luisteren en het volk mocht zijn ei kwijt op Rita’s wiki. Iemand in haar clubje had kennelijk geroepen: laten we heel erg web 2.0 worden, want dat is nieuw! Zonder verder enig idee te hebben wat zoiets zou doen op het Nederlandse deel van het wereldwijdewebje.

Met lichte voorpret klikte ik de wiki open, en: het was een slagveld. Rita werd compleet belachelijk gemaakt. Een wildgroei van serieus bedoelde maar door domheid lachwekkende suggesties vermengd met gesar van het volk dat normaal bij geenstijl rondhing. Onder het kopje leges: 'Geen gekut met glasbakken. Smijt je fles gewoon weg als-ie leges.'

Ik heb een hele dag zitten verversen en zitten lachen, tot Rita’s mensen de wiki offline haalden. (Voor een mirror, ga naar www.davidrietveld.nl/RietHaverdonk.htm)

Het was het virtuele equivalent van het rotmoffen blijf met je rotpoten van onze rotjoden af uit de oorlog: het Nederlandse volk zuigt en kankert en is zwaar onverdraagzaam, maar laat het niet gebeuren dat iemand de oorzaken aan wil pakken (en zeker niet op zo’n debiele manier als met een wiki), want we moeten nog iets overhouden om onverdraagzaam over te zijn.

# | Acht reacties | 07 Februari 2011

'Mijn ideale uitgever'

De SLAA had me gevraagd of iets wilde zeggen op een debatavond over hoe uitgeverijen met moderne fratsen om moeten gaan. De opdracht: schets je ideale uitgever. Welnu, dat wilde ik wel. Onderstaand verhaal las ik voor in het Comedy Theater (en er viel niets te lachen!) op 25-01-2011. En ik las het voor vanaf mijn iPad, vanwege de gimmick.

Ik was in new york, en dat zeg ik zo achteloos mogelijk, maar ik zeg het graag tegen iedereen die ik tegenkom, en in new york viel het me op dat er in de metro heel veel gelezen werd. Beduimelde pocketboekjes, hardcovers van de nieuwste titels, en heel veel mensen hadden e-readers in hun handen.

Ik lees dit voor vanaf mijn ipad, ik heb een autocue-app die de tekst langzaam voor me uitspelt, en ik moet er een beetje aan wennen, want dit is de eerste keer dat ik mijn ipad zo gebruik. Het is een beetje onzin natuurlijk, wat ik nu doe, niks mis met een stuk papier, maar het past mooi in het verhaal.

Als ik niet hardop hoef te lezen, gebruik ik mijn ipad vaker, maar vooral voor tijdschriften en dagbladen - op vrijdag download ik het nrc voor de boekenbijlage, op maandag staat de New Yorker voor me klaar, die ik binnenhaal en vervolgens ongelezen laat, net zoals ik met de papieren versie deed.

Lees ik boeken op mijn ipad? Nee. Het scherm van een ipad - anders dan bij dedicated e-readers - is niet geschikt om heel erg lange lappen tekst te lezen, maar vooral: digitale boeken zijn duur.

Ik wil best drie euro 99 betalen voor een New Yorker, maar 12 euro voor een boek dat je niet vast kan houden, dat vind ik te veel.

Dat klinkt als de klacht van een verwend ventje van de internetgeneratie dat te lang alles gratis heeft gekregen vermengd met het argument van een ouwe man, maar ik heb zelf een paar boeken geschreven, dus ik weet dat schrijvers niet voor de kat z'n kut zitten te tikken, en de ipad heeft bewezen dat mensen juist wel voor content willen betalen, maar er zit volgens mij een psychologische grens aan wat de consument uit wil geven aan iets dat uit enen en nullen bestaat. Dat is geen harde wetenschap van mijn kant, allemaal speculatie van iemand die links en rechts wat klepels heeft horen luiden - maar het is een feit dat mensen digitale producten willen kopen. De markt is er. Nu moet alleen de aanbieder nog over de brug komen. En de aanbieder is in het huidige systeem: de uitgever.

Er is mij gevraagd de ideale uitgever te schetsen. Dan kan ik zeggen dat ik een uitgever wil die voor reclame van mijn boeken net zoveel budget uitgeeft als Khaleid Hoseini krijgt en een redacteur die me elke ochtend croissantjes komt brengen, maar ik wil het een beetje bescheiden en realistisch houden: ik wil graag een uitgever zonder angst.

Toen ik via Paul Sebes in boekenlandje terecht kwam, mocht ik kiezen uit een aantal heel mooie uitgevers, en ik koos voor de uitgever waarvan ik zeker wist dat mijn oude moedertje die ook kende: de bezige bij. De bezige bij is een heel erg mooi uitgeefhuis. De Bij wil graag een onderkomen zijn, een safe haven voor haar auteurs, en als ik ooit nog iets minder bescheiden word, gaat het vast nog wel eens zover komen dat ik er voor de gezelligheid op de koffie kom en niet meer onder de indruk ben van alle portretten van grote namen op de trap. Maar het is geen uitgever zonder angst.

De Bij heeft een tijdje lang Hans Nijenhuis als kroonprins gehad, beoogd opvolger van de knuffelende vader van ons allemaal, Robbert Ammerlaan, en met Hans heb ik in die tijd goeie gesprekken gehad over hoe het digitale verhaal aangepakt zou moeten worden.

Ik zei in zo'n gesprek voorzichtig dat ik mijn eerste boek misschien wel digitaal op mijn website wilde zetten - gratis.
Lijkt me een goed idee, zei Hans. Gaan we binnenkort een keer over praten.

Ik zei dat de Amerikaanse schrijver Cory Doctorow al zijn boeken gratis aanbood en hij kon aantonen dat de verkoop van zijn papieren boeken daardoor gestegen was.
Geloof ik meteen, zei Hans.

Ik zei dat ik dacht dat mensen die een boek gratis downloaden óf het lezen van een scherm vervelend zouden kunnen vinden en toch het fysieke boek zouden kopen, óf, als ze ervaren schermlezers waren, de schrijver toch hun waardering zouden willen tonen door wat geld op zijn rekening te storten.

In die situatie zou bij aankoop van een papieren boek het overgrote deel van het geld naar uitgever, distributeur, boekhandel gaan (niet noodzakelijk in die volgorde), en bij een paypalbetaling aan de schrijver wordt de maker beloond. En dat zou zomaar eens een eerlijke verdeling kunnen zijn.

Hans en ik zagen het allemaal zitten - we oefenden vast de knuffels die Robbert Ammerlaan nu aan Jan Siebelink gaf.

Maar Hans Nijenhuis kreeg niet lang daarna een aanbod om baas van het NRC te worden, en dat aanbod heeft ie gepakt, en ik heb zo'n vermoeden dat de angst voor vernieuwing van zijn collega's bij de Bij daar iets mee te maken heeft gehad. Er zijn geen nieuwe kroonprinsen meer aangetrokken; de beoogde opvolger van Robbert Ammerlaan zal waarschijnlijk uit eigen gelederen worden gekozen.

Sinds Hans weg is, heb ik mijn idee over het gratis aanbieden van mijn eerste boek niet meer in de groep durven gooien bij de Bij. Angst voor de portretten van de grote namen op de trap, en angst voor de angst van de uitgeverij zelf.

# | Drie reacties | 26 Januari 2011

791 woorden: bivakkeren in nostalgie

Een column voor het literaire tijschrift Passionate.

Ik lees nu een boek over hackers. Het boek is uit 1984 en achterop staat zoiets als: vroeger was het behelpen, maar nu (in 1984) hebben we natuurlijk geweldige computers, kijk ons toch eens met onze Commodore 64! (Ik weet nog niet of de Commodore 64 genoemd gaat worden; ik ben nu op het punt dat de Altair 8800 uitgevonden wordt: de eerste computer die mensen thuis neer kunnen zetten maar die, als je er zelf geen onderdelen aan bouwt, niet veel meer doet dan knipperen met rode lampjes.) Ik ben meta-historisch aan het lezen. Een oud boek over geschiedenis.

Het verhaal is alleen meeslepend voor nerds zoals ik, maar meeslepend is het: ik waan me in 1959 op MIT, waar onooglijke jongens met pennen in hun borstzak vechten voor een plek achter de terminal van een computer die drie huiskamers in beslag neemt; ik bén in Silicon Valley als de Homebrew Computer Club in de vroege jaren zeventig met die Altair 8800 aan de slag gaat.

Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, zoals een groot Hollands poëet ooit zei, maar dat maakt ook niet uit: het gaat erom dat ik door een boek ondergedompeld word in een tijd die ik zelf mee had willen maken.

Met films werkt het ook, natuurlijk. Elke keer als er een Sissifilm bij de KRO wordt uitgezonden, kijkt mijn schoonmoeder. Zij gaat voor de romantiek van de jurken. En dan zegt ze dat ze in de verkeerde tijd is geboren. Dat zegt ze ook als er een klassieker als White Christmas op tv is. 'Ik ben in de verkeerde tijd geboren.'

Nu is de moeder van mijn vriendin een jonge blom, maar mijn eigen moeder was achttien toen White Christmas in 1954 in de bioscoop kwam — mijn moeder is precies op tijd geboren om mee te maken wat mijn schoonmoeder graag mee had gemaakt. Qua jurken en kapsels dan. En toch ligt mijn moeder nu in haar verzorgingshuis mee te maken wat wij nu allemaal meemaken. Nostalgie heeft een houdbaarheidsdatum met terugwerkende kracht. Mijn moeder woont niet meer in 1954 — dat doet ze al 56 jaar niet meer. Ik kan mijn iPhone nu in m’n moeders handen drukken zodat zij de vakantiefoto’s kan bekijken, ook al heeft ze de leeftijd gehad om van Bing Crosby te dromen.

Ik kan zelf lichtjes wegdromen bij onschuldige beelden uit de jaren zeventig of tachtig — maar ik heb de jaren zeventig en tachtig meegemaakt. Niet zo bewust als ik achteraf zou willen, maar dat is de tragiek van het nu: je weet pas later dat dat nu iets bijzonders was. Nu, dit nu is saai, nu is altijd de tijd waarop we er het normaalst uitzien, die idiote broeken met wijde pijpen in de jaren zeventig, die broeken met hoog water in de jaren tachtig: die waren raar, achteraf, wat we nu dragen is zoals het hoort en het gaat nooit meer iets anders worden.

Maar we wonen niet in 2010, we bivakkeren er niet, en ik weet zeker dat er in 2040 mensen gaan zijn die zeggen: ach, 2010. Als je toen toch geleefd had. En met een beetje mazzel zijn wij er dan nog, en de 2010-zuchters zullen daar volledig aan voorbij gaan.

Toen ik dertien of veertien was, kreeg ik computerles op de mavo. Ik werd achter een beeldscherm met de afmetingen van een flink aquarium neergezet, en dat beeldscherm was zwart, en met groene letters knipperden er een paar lettertekens.
C:\>
En dat was het.

Ik werd er niet warm of koud van. Ik geloof niet dat ik enige magie op het scherm zag. We kregen een paar opdrachten, en ik kan me niet herinneren of ik die opdrachten tot een goed einde heb gebracht. Toen de les af was gelopen, vergat ik de computer onmiddellijk. De dos-prompt, die paar lettertekens — ze deden het niet voor mij, toen. Terwijl ik nu een verouderd boek lees over de geschiedenis van de computer, een boek dat uitkwam toen ik onbewogen naar dat grote zwarte scherm staarde. De schrijver dacht dat we er al waren met de computer (op de achterflap staat ‘today, technology is cool’) maar man, je stond nog midden in de geschiedenis.

En ik had er toen zo in kunnen stappen. Ik had mezelf DOS kunnen leren, ik had kunnen programmeren in BASIC, later overstappen op pascal, ik had kunnen begrijpen wat het betekende toen de eerste pentium-chip op de markt kwam. Maar ik heb het toen niet gezien.

Ik weet het, het klinkt even spannend als gras zien groeien, maar láát me.

Ach, 1984.
Je kan niet wonen in een tijd. Je kan een film kijken, een boek lezen, en als je dat boek weglegt, ontdek je weer dat je altijd in dat verdomde nu zit.

# | Twaalf reacties | 24 Januari 2011

Om de hoek van de Sleutelkluis

Ik moest overstappen. Ik kwam uit de 17 en ik moest de 3 hebben. Ik ben één van die mensen die denkt dat ongeluk hen achtervolgt, dus ik rende een stukje - net lang genoeg om om de hoek van de Sleutelkluis te kunnen kijken. Zien of die 3 er niet toevallig net stond, en net zijn deuren sloot, en net wegreed.
Hij stond er niet.

Ik stak over naar de halte. Volgens de tijdentabel op de halte was de tram een minuut geleden geweest. Dat kan betekenen dat de tram een minuut geleden is geweest, maar het kan ook betekenen dat ie over 10 minuten komt.
De 3 bleek volgens de tijdentabel 's avonds maar 4 keer per uur te rijden, dus ik vroeg aan een jongen die al op de halte had gestaan toen ik bij de Sleutelkluis om de hoek had gekeken of hij wist of de 3 net geweest was.

Het ongeluk dat mij achtervolgt bleek zich op twee manieren te uiten: de 3 was inderdaad net geweest, en de jongen die al op de halte had gestaan was heel erg blij met een gesprekspartner.

Ik ben niet vies van een gezellig praatje bij het op de tram wachten (zeker niet als het een tram is die maar vier keer per uur rijdt en net weg is), maar de jongen begon over tramtijden. En hoe het volgens hem beter kon.

De 3 had namelijk het beste elke 6 minuten kunnen rijden.
Natuurlijk was ik het daar gevoelsmatig helemaal mee eens, maar de jongen kon wetenschappelijk onderbouwd vertellen waarom die 6 minuten het beste waren.
Ah, zei ik. 'Is het je vak?' vroeg ik.
Hij gaf het antwoord waar ik al een beetje bang voor was: 'het is mijn hobby.'

Mijn nieuwe beste vriend wist alles van het openbaar vervoer. Trams, bussen, treinen, dienstregelingen, de OV-chipkaart, de Combino (dat is de grote blauwe tram die door Amsterdam rijdt), de problemen op het spoor tijdens het slechte weer - alles.
En het beste was: hij had overal een oplossing voor.

De 3 kwam. Ik wist ondertussen alles over de lijst van 50 problemen met de OV-chipkaart (er was een lijst met 25 problemen gepubliceerd, en hij kon er zo nóg 25 opnoemen). Ik stapte in, veegde mijn OV-chipkaart enigszins schuldbewust over de kaartlezer, groette de conducteur en keek om me heen: waar te zitten?
Ik besloot aardig te zijn en in de tegenoverelkaarzitjes achterin te gaan zitten. Zodat hij de kans had om nog even zijn verhaal af te maken.

De jongen greep zijn kans. Hij vertelde over de problemen met de Combino. De assen van de tram zaten op een idiote manier in elkaar. Helemaal niet logisch, zei hij. Hij zei dat hij altijd de grote fout maakte logisch na te denken. Dat bedoelde hij als grapje. Hij zou zijn grapje nog vaak herhalen.

De tram trok op. Ik keek naar buiten, naar de Sleutelkluis op de hoek van de Kinkerstraat en de Bilderdijkstraat, en ik bedacht dat ik daar ook had kunnen blijven staan. Af en toe even om de hoek kijken.

# | Tien reacties | 10 December 2010

Ik leef nog

Ik heb me vaker schuldig gemaakt aan 'ik leef nog'-postjes na lang niks te hebben geschreven, maar nu is het echt even nodig; ik kreeg net een berichtje op facebook van een onderzoekende journalist dat bij de vliegramp op Cuba een Walter van den Berg is overleden.
Volgens andere berichten gaat het om een van der, maar mensen hebben vaker moeite met die tussenvoegsels, dus ik zeg het toch maar even.
Veel sterkte voor de familie en vrienden van de andere Walter.

# | Zeven reacties | 05 November 2010

De late adopter: podcasts

Ik ben heel erg van het early adopten, want voor je het weet mis je iets, maar soms sla ik dingen over. Ik heb de podcast altijd hardnekkig genegeerd, misschien wel omdat Adam Curry er zo druk mee in de weer was, maar ik probeer regelmatig op de fiets naar het werk te stappen, en dan ben ik zo'n drie kwartier onderweg, en die reis wil je toch een beetje opleuken. Dus anno 2010 ben ik met de podcast begonnen.

Voor mensen die ook een keer lekker laat willen adopten twee tips, de eerste voor iedereen, de tweede voor nerds (met de aantekening dat allebei m'n tips in het Engelands zijn gesproken):

1.

De fiction-podcast van de New Yorker. Op de fiets naar huis luisterde ik naar een verhaal geschreven door Stephanie Vaughn, voorgelezen door Tobias Wolff, en jongens, ik had de tranen in mijn ogen toen ik door het Vondelpark reed, zo mooi.

2.

A Life Well Wasted. Een héél goed verzorgde 'internet radio show' over games en mensen die met games bezig zijn. Geen besprekingen van de nieuwste Mario, maar verhalen over mensen en hun nerdigheid. Klinkt niet direct als een aanbeveling, maar het is prachtig.

# | Tien reacties | 17 September 2010

De situatie met mijn oude moedertje

Mijn oude moedertje ligt weer in het ziekenhuis. Dat is geen schokkend nieuws: in de afgelopen acht maanden is ze alleen maar heen en weer gegaan tussen verpleeghuis en ziekenhuis, en dat ziekenhuis besloeg zeventig procent van die tijd, of misschien wel tachtig. In die acht maanden is ze ook twee keer thuis geweest: de eerste keer hield ze dat een dag of vijf vol, de tweede keer was na anderhalve dag alweer te ziek.

Het begon in februari met een ongeluk: ze reed haar scootmobiel ondersteboven en brak een heup, en toen ze met een nieuwe heup het revalidatiecentrum inging, liep ze daar een longontsteking op. Mijn oude moedertje heeft waardeloze longen: emfyseem in het verstgevorderde stadium. Dus elk hoestje kan uitgroeien tot een ontsteking, en daar heeft ze er flink wat van gehad.

Ze gaat nooit meer sterk genoeg worden om alleen te kunnen wonen, dus nu heeft ze een min of meer vaste kamer in een verpleeghuis in het pittoreske Slotervaart. Min of meer vast betekent dat de regel is dat ze de kamer kwijtraakt als ze langer dan een week in het ziekenhuis ligt, maar de leiding in het verpleeghuis heeft zich hard gemaakt voor haar: die kamer houdt ze. Hopen we.

Het is een rare situatie, want we moeten haar woning opzeggen, maar officieel heeft ze geen echt eigen plek meer. We gaan die losvaste plek in het verpleeghuis een beetje voor haar inrichten, en ze is daar relatief gelukkig, omdat de verpleging haar (en de andere bewoners) duidelijk een warm hart toedraagt, zoals dat heet. Maar voorlopig is het dus weer: het ziekenhuis.

In die afgelopen acht maanden hebben mijn zuster en ik elkaar afgewisseld met bezoek. Dag A mijn zus, Dag B ik. Ik weet dat mijn moeder het zelf het zwaarst heeft, maar acht maanden lang je leven door ziekenbezoek laten beheersen: het is kut.

Mijn zuster heeft dan ook nog eens de ziekenhuisopnames erbij. Elf keer tot nu toe is ze uit bed gebeld, uw moeder is ziek, ze moet naar het ziekenhuis, en hup, weer een paar uur hangen in de eerste hulp of op intensive care voor ze naar de longafdeling gaat. Ik ben er een paar keer bijgeweest, in lichte paniek zoals je mensen in ziekenhuisseries dan ziet, en dokter, weet u al wat, maar het is routine geworden. Mijn zuster belt me, er komt zo een ambulance, oh, ok. Ik heb de mazzel dat mijn zuster een auto heeft en geen werk waar ze naartoe moet. Ik heb wel de pech dat mijn oude moedertje de boel eerlijk heeft verdeeld qua dienstverlening: mijn zuster is er voor de logistiek, ik ben voor de emotionele ondersteuning. Dus daar komt haar hele ziel en zaligheid weer bloot te liggen als ik naast haar bed zit in een ziekenhuiszaal met gemiddeld drie andere patiënten, twee bezoekers per patiënt en nog een binnenlopende verpleegster, en alles flink luid omdat ze behoorlijk doof is. En dan op volume antwoord geven. NEE MAM WE HOUDEN ECHT VAN JE HOOR.

Die ontstekingen: ik hoop dat dat wat minder wordt nu ze die min of meer vaste plek heeft. Ze wordt vooral ziek van stress, hebben we het idee, en ze kan zich druk maken over het ietwat krom staande pootje van de bril van haar kleinzoon. Nu een weekje ziekenhuis, als ze van het infuus afmag naar haar eigen kamer in het verpleeghuis, en wie weet.

# | Dertien reacties | 13 September 2010

Enorm

We waren de eersten in de zaal. Er kwam een jongen binnen in z'n eentje die er heel aandoenlijk uitzag. Hij ging op onze rij zitten.
'Aandoenlijk toch?' vroeg ik Robin.
'Enorm,' zei ze.
'Maar wel goed gekleed,' zei ik (want hij was heel goed gekleed).
'Enorm,' zei Robin.
'Heel verwarrend,' zei ik.
'Enorm,' zei Robin.

# | Vijf reacties | 10 September 2010

Planeet vandenb

1.

De collega die de vorige keer jarig was geweest en daarom een kadootje voor de volgende jarige collega moest kopen, was met vakantie. Daarom moest ik een kadootje kopen voor de volgende jarige, omdat ik de daarop volgende zou zijn. De constructie werd ingewikkeld, maar een andere manier konden we niet bedenken.
Ik had wat gekocht, op de dag van de verjaardag van de volgende jarige, in de pauze: een koker tennisballen en drie paar tennissokken. Maar we kwamen er helemaal niet aan toe. Dus het kadootje bleef in de kast liggen.
Toen de volgende jarige wel tijd had om zijn verjaardag te vieren (hij had lekkere dingen bij de Hema gehaald) was de vorige jarige al terug van vakantie, en toen bleek dat ze onderling hadden afgesproken dat het kadootje kwam als de vorige jarige terug zou zijn. Dus er waren twee kadootjes. Mijn koker tennisballen en drie paar tennissokken, en een waardebon voor de sportschool.

2.

We gingen eten bij de Griek, Robin en ik, en we hadden al twee keer eerder bij de Griek gegeten, en bij die eerdere keren hadden we lichtelijk jaloers gekeken naar de mensen die de Griek met een uitgestoken hand ontving, hee, hoe gaat het, fijn jullie weer te zien. Dat wilden wij ook. Wij wilden die uitgestoken hand.
Deze keer kwam ie.
We stapten naar binnen, de Griek zag ons, herkende ons en herkende ons verlangen naar die hand. Hee, hoe gaat het, fijn jullie weer te zien.
We schudden zijn hand alsof het de normaalste zaak van de wereld was, gingen aan een tafeltje zitten, en toen de Griek weer weg was gelopen, staken we onze armen triomfantelijk de lucht in, deden we high fives — we vierden feest. We waren vrienden van de Griek.

# | Zeven reacties | 07 September 2010

De iPad (2)

Toen de iPad uitkwam, was ik teleurgesteld: ik vond het een uitgewalste iPod Touch. Ik maakte wel een voorbehoud (altijd slim om voorbehouden in te bouwen): als ontwikkelaars met briljante apps zouden komen, zou ik nog om kunnen gaan. En ik ben om.

In de maanden tussen de Amerikaanse release en de Nederlandse, ben ik het nieuws over apps die uitkwamen blijven volgen, en er kwam genoeg uit om mij op de dag van die Nederlandse release in de rij voor de winkel te laten staan. En er was nog een reden om voor die deur te staan trappelen - iets wat me in die tussenliggende maanden duidelijk was geworden.

Wat opviel bij die rij: er waren veel grijze hoofden. Dat was ook de tendens bij andere rijen. En dat maakt sense.
Mijn oude moedertje kwam een jaar of twee geleden op het idee dat ze een computer moest hebben, want dan kon ze chatten, en dan zou ze zich niet zo alleen voelen. Mijn zuster kocht een tweedehands (windows) laptop voor haar, en dat ding is één keer aangeweest: de startknop in de taakbalk was al te hoog gegrepen voor haar begrip.

De computer waar wij allemaal mee opgegroeid zijn, is ooit bedoeld geweest voor kantoorwerk. Om het een beetje begrijpelijk te houden, zijn allerlei analogieën bedacht met ramen en mapjes in archiefkasten, maar mensen die op hun 65ste instappen, pakken dat niet op. Wij zijn eraan gewend, maar leg maar eens uit waarom je moet dubbelklikken op een bestand en moet enkelklikken op een link op een webpagina (ik zie overigens wel eens mensen die al jaren achter een computer zitten keihard dubbelklikken op hyperlinks - beter een keer klikken te veel dan te weinig).

Met een beetje moeite zou mijn oude moedertje de iPad kunnen snappen. Niet elke app, maar als ik haar vraag of zij zou kunnen kijken wat het weer wordt, zou ze het icoontje met het zonnetje van Weather Pro op het scherm kunnen vinden en zou ze met een druk van haar vinger de weersvoorspelling kunnen zien. Installeren van apps, daar zou ze mee geholpen moeten worden, maar een verzameling voor haar samenstellen zou moeten lukken: wat wil je allemaal kunnen doen? Twintig apps op het eerste scherm, standaard dingen van apple die ze niet gebruikt naar het volgende scherm, en mijn oude moedertje is online. Geen boomstructuren met documentjes, niet op start klikken om je computer uit te zetten.

Maar de iPad is niet alleen voor grijze hoofden, natuurlijk. Ik heb 'm nu een week en een paar dagen, en het is mijn beste vriend op de bank, thuis. Precies zoals ik dacht dat ik 'm zou gebruiken: ideaal voor casual vermaak, twitter volgen tijdens een voetbalwedstrijd, dingen opzoeken zonder naar het bureau waar je computer staat te hoeven lopen, en als ik eraan toe ga komen, ga ik er vast mijn gedownloade series ook nog op kijken.

Lees ik er boeken op? Nog niet. Ik hou te veel van fysieke boeken om ze te vervangen door een digitaal bestand, maar ik léés er wel op: ik heb de NRC-app en op vrijdag betaal ik 79 cent om de krant van die dag te downloaden zodat ik de boekenbijlage kan lezen, en de digitale editie van WIRED is geweldig: zeer leesbaar en met interactieve leukheid. En met Instapaper bewaar je langere stukken die je achter je computer op het web tegenkomt voor een prettiger leeservaring.

Conclusie: de iPad is geweldig speelgoed, én het is de toekomst van computing.

# | Vier reacties | 02 Augustus 2010

841 woorden: Niet op deze manier

Een column voor het literaire tijdschrift Passionate.

Ik woonde in Slotervaart en in Slotervaart zat een bibliotheek. De bibliotheek zat om de hoek van het plein waar de Albert Heijn, de Dirk van den Broek en de garniturenwinkel zaten. Op het plein hingen jongetjes die in de bibliotheek achter de computers zaten als ie open was, maar hij was niet zo vaak open.

Ik ging er op maandagavond heen om boeken te lenen. Ik leende meer boeken dan ik las. Ik leende er meestal zes, elke week dacht ik: ik zou er best zes kunnen lezen. Maar als ik één boek las, was het veel.

Bij de bibliotheek deden ze ook aan activiteiten. Op een dag hing er een poster en op de poster stond Martin Bril. Hij zou komen. Martin Bril schreef nog stukjes voor het Parool, waarin hij met zijn dochter achterop door het Vondelpark fietste en naar een reiger keek. Kaartjes voor de avond met Martin Bril waren twee gulden vijftig, en ik ging naar binnen en kocht een kaartje.

De avond met Martin Bril ging niet door wegens gebrek aan belangstelling.

Een paar maanden later zou er een avond zijn met Ronald Giphart. Ik kocht weer een kaartje. Ik wilde graag een schrijver van dichtbij zien omdat ik van plan was er zelf één te worden. Ik wilde een schrijver worden die over tweehonderd jaar nog herinnerd zou worden, want zo denkt iedereen die schrijver wil worden.

Die avond ging door. Mijn zuster belde me, net voor ik naar de bibliotheek zou gaan, en ze vroeg wat ik ging doen, en ik vertelde het. Ze wilde ook mee. Mijn zuster wilde niet per se een schrijver van dichtbij zien, hoewel ze wel alle boeken van Virginia Andrews had gelezen. Mijn zuster zorgde ervoor dat de opkomst verdubbelde, dus het liep niet echt storm voor Ronald Giphart in Slotervaart, maar de mensen van de bibliotheek hadden de avond toch door laten gaan — ik denk omdat zij Ronald Giphart graag een keer van dichtbij wilden zien. Mijn zuster en ik zaten met zes of zeven bibliothecaressen op stoeltjes naar Ronald Giphart te kijken, en hij las voor. Hij las voor uit verschillende boeken, en de bibliothecaressen krompen allemaal in elkaar toen hij de rug van één van zijn eigen boeken brak om ‘m open te houden. Hij merkte de reactie op en deed het nog een keer. Hij zei: het is maar een boek.

Toen hij klaar was met voorlezen voor het deel van voor de pauze, mochten we vragen stellen. De bibliothecaressen stelden vragen en ik verzamelde moed: ik wilde schrijversvragen stellen, en ik wilde ook graag dat Ronald Giphart door zou hebben dat hij met een andere schrijver te maken had. In de pauze zou ik het nog zeggen, met m’n handen in m’n zakken zou ik bij het koffiedrinkende groepje gaan staan en ik zou zeggen dat ik ook schreef, en hij zou heel enthousiast zeggen dat dat heel goed was en dat ik maar eens iets naar zijn uitgever moest sturen.

Maar nu, voor de pauze, vroeg ik over tijdloosheid. Hij had net een passage voorgelezen die heel erg niet tijdloos was, door de details die hij gebruikte. Ik vroeg of hij daar niet naar wilde streven, tijdloosheid.

Hij vroeg wat mijn lievelingsboek was. Ik zei dat dat The Catcher in the Rye was. Ik was jong en getourmenteerd. Ronald Giphart vroeg of ik even na wilde gaan hoe tijdloos The Catcher dan was. Ik dacht er over na. The Lunts, daar moest ik aan denken, het toneelstuk waar Holden naartoe gaat, The Lunts zijn de acteurs die erin zaten. Ze bestonden niet meer, alleen nog maar in The Catcher. En The Catcher bestond alleen maar uit dat soort details. Ik zei tegen Ronald Giphart dat hij gelijk had.

Toen wilde ik niet langer een schrijver worden die over tweehonderd jaar herinnerd zou worden. Ik hield op met het vermijden van details die mijn verhalen niet meer tijdloos zouden maken.
Het was een bevrijding. Vanaf die dag ging ik goed schrijven. In ieder geval: beter dan ik voorheen had gedaan.

Ik moest aan Ronald Giphart denken toen ik las dat Max Havelaar hertaald was. Ik denk dat Ronald Giphart het allemaal niet zoveel kan schelen, want het is maar een boek, maar het gaat wel tegen zijn wet in. Het hertalen van Multatuli is een poging tot tijdloos maken. Een paar mensen hebben bedacht dat Multatuli bepaalde details had moeten vermijden, en zij hebben dat gelukkig goedgemaakt. Het kan me niet zoveel schelen, want dat heb ik ook geleerd van Ronald Giphart. Als het boek door de hertaling iets makkelijker te lezen is voor de schoolkinderen die ertoe gedwongen worden, is dat meegenomen — ik heb niet eens het recht om me er druk over te maken, want Max Havelaar staat hier nog ongelezen in de kast. Niet hertaald.

Maar het is natuurlijk idioot. Het boek is niet meer het boek wat het was. Multatuli is de enige Nederlandse schrijver die tweehonderd jaar gelezen worden zou kunnen halen, maar niet op deze manier.

# | Tien reacties | 22 Juni 2010

De kuttoeter*

Een klassieke openingszin van stukjes zoals deze is: er is al veel gezegd over. Dat u weet dat ik iets ga verkondigen dat al helemaal uitgemolken is. Op twitter was de vuvuzela ongetwijfeld een trending topic (de juiste opmerkingen werden druk geretweet) en op elke werkplek werd er natuurlijk hard over gemeningd. Nu kom ik er dus nog even bij.

Natuurlijk vind ik het ook een kuttoeter. Mijn zwager, die bij een tv-winkel in Tilburg werkt, werd tijdens de openingswedstrijd gebeld door een mevrouw die net een tv bij hem had gekocht met de vraag of die zoem in haar apparaat normaal was.

Door die toeter mis ik het normale stadiongeluid. Ik wil mensen horen zingen, oooh horen roepen als een bal net over gaat, fluiten als er tijd gerekt wordt — ik mis de sfeer.

Maar wat ik ook mis: het er-is-iets-aan-de-handgeluid. Bij een wedstrijd op tv zie je altijd maar een deel van het veld, en op het deel van het veld dat niet in beeld is, kan er ook van alles gebeuren; en dan moet je vooral denken aan spelers die elkaar het licht uit de ogen schoppen. Het publiek reageert daarop, zodat je als tv-kijker weet: hee! Er is iets aan de hand!

En wat je ook niet meekrijgt: de reacties van het publiek op bijvoorbeeld een al dan niet vermeende handsbal voor het doel.
De scheidsrechter en ik, wij worden gewaarschuwd door dat soort geluiden.
Maar ja: met die kuttoeter lukt dat dus niet meer.

*De kuttoeter is dus ©Robin Smits

# | Zes reacties | 15 Juni 2010

De zeer tevreden mens

Ik ben handig.
Of beter: ik ben handig geworden.
Ik ben geboren en getogen met twee linkerhanden, maar de afgelopen zes weken heb ik zoveel gaten geboord en plakplintjes moeten zagen dat er ongemerkt een Gamma-klantenpas mijn portemonnee in is geslopen.

Ik wilde bijhouden wat we allemaal deden, maar het kwam er niet van. Wat we vooral deden was hard, zeer hard doorwerken. We hebben de laatste weken dagen van 16 uur gemaakt. Op een van de zaterdagen heb ik om half vier 's nachts de deur van het klushuis achter me dichtgetrokken om naar het slaaphuis te fietsen, en ik fietste zo'n beetje op met de mensen die terugkwamen van het stappen.

Maar: het was het waard.
We wonen samen. En dat doen we in het mooiste huis ooit.

Deze afgelopen zaterdagnacht, een uur of half twee, keken we om ons heen en zagen we dat het klaar was. Er moesten nog wat fotolijstjes neergezet worden, maar alle meubels stonden op hun plaats, het nieuwe kleed was uitgerold, en Banjer lag in zijn mandje. Banjer had al die weken in het slaaphuis gewoond en zag ons alleen 's ochtends bij het opstaan, bij het avondeten en bij het naar bed gaan. Ons hart brak regelmatig, maar nu was het weer een gelukkig hondje.

We mochten gaan slapen in onze nieuwe slaapkamer, voor het eerst, en we sliepen de diepe slaap van de zeer, zeer tevreden mens, en we werden onze eerste zondagochtend als samenwonenden wakker.

# | Twaalf reacties | 18 Mei 2010

Opknaplog 2

Het gaat voorspoedig hoor! Dat ik zo lang stil ben wil niet zeggen dat het slecht gaat, alleen maar dat het druk is. Nog een week, en dan kunnen we erin. En dan heb ik ook tijd om weer behoorlijke stukjes te schrijven.

# | Vijf reacties | 07 Mei 2010

Opknaplog 1

Even geen Literaire Hoogstandjes hier, maar een verslag van de vorderingen van het opknappen van de woning: Robin komt bij me wonen, en om te voorkomen dat het 'Robin komt in Walters huis wonen' wordt, knappen we de boel op naar onze gemeenschappelijke smaak, en gelukkig hebben we die ook — we vinden vrijwel altijd dezelfde dingen en kleuren mooi.

We wilden zelf gaan schilderen, aanvankelijk, en daar hadden we weken voor uitgetrokken, tot we op het idee kwamen het toch maar te laten doen, want: sneller en minder stress. Een buurman van wie we weten dat ie schilder is aangesproken, en hij wilde het doen, maar wel meteen, want er zaten meer klussen voor 'm aan te komen.

Meteen betekende vandaag, dus dit weekend zijn we bezig geweest het huis schilderklaar te krijgen: twintig (20) vuilniszakken met overbodige rommel naar buiten, alle boeken in dozen, alles van de muur af, kasten die we niet meer wilden bij het grofvuil — veel, veel werk. Maar we hebben het afgekregen.

De buurmanschilder schuurt vandaag het houtwerk, wit de plafonds, schildert de muren van keuken, gang en badkamer. Vanavond gaan Robin en ik de definitieve kleur voor de woonkamer uitkiezen zodat ie verder kan. Leve de bouwmarkten die tot negen uur openzijn.

# | Elf reacties | 12 April 2010

Speechje bij de boekpresentatie van Rick van Leeuwen

Gisteren werd Rick van Leeuwens boek 'Misschien sliep je al' gepresenteerd in het exotische Katwijk. Ik mocht het eerste exemplaar in ontvangst nemen, en natuurlijk vertelde ik een verhaaltje.

Er zijn een heleboel schrijvers die graag schrijver willen worden. Dat is wat anders dan graag willen schrijven. Ik was er zelf zo een die graag schrijver wilde worden. Ik wilde met andere schrijvers omgaan, en ik wilde het voor de meisjes. Ik dacht: als je eenmaal schrijver bent, dienen de mooie meisjes zich aan.
Dat klopte ook: op een dag kreeg ik een mailtje van een mooi meisje, en dat meisje is nu mijn vriendin. Dus nu kan ik me toeleggen op graag willen schrijven.

Maar: als je schrijver bent, krijg je dus mailtjes. Op een dag kreeg ik een mailtje van Rick van Leeuwen. Hij had mijn tweede boek gelezen en zei er een hoop aardige dingen over. In dat mailtje maakte hij duidelijk dat hij ook met schrijven bezig was.

Zelf ben ik zo een keer naar Ronald Giphart toegestapt, toen ik nog geen boek in de winkel had. 'Ik schrijf ook.' Mensen als Ronald Giphart, van wie ongeveer heel Nederland weet dat ie schrijver is, horen dat gemiddeld vier keer op een dag. Ronald Giphart kan waarschijnlijk niet rustig naar de supermarkt. Er zijn een miljoen mensen in Nederland die 'ook schrijven,' en dat willen ze allemaal aan Ronald Giphart vertellen. Een paar van die mensen slaan Ronald Giphart over en komen bij mij terecht.

Ronald Giphart heeft een simpel trucje; hij zegt zoiets als: wat goed, stuur je boek naar m'n uitgever, die is vast geinteresseerd.

Zo ver ben ik nog niet. Dus krijg ik af en toe een verhaal in m'n mailbox. Rick van Leeuwen stuurde mij er ook één. Dat lovende mailtje over mijn boek was dus gewoon een binnenkomertje.

Met een diepe zucht, niet helemaal gemeend, want natuurlijk vind ik het leuk dat ik af en toe een beginnende schrijver van Ronald Giphart afvang, begon ik te lezen. En wat ik las was goed.
Ik heb Rick doorgespeeld aan mijn agent. Ik kan me voorstellen dat ik in het mailtje zoiets heb geschreven als 'deze kan het.'
Want Rick van Leeuwen kan het.

Rick van leeuwen is schrijver. En hij is geen schrijver die schrijver wil zijn: hij wil graag schrijven. Hij heeft al een meisje, en als hij graag met andere schrijvers om wilde gaan, had hij wel een mailtje aan Ronald Giphart gestuurd. Rick is een echte.

# | Acht reacties | 07 April 2010

808 woorden: Actie

Een column voor Passionate.

De RAF heeft ooit in Osdorp gezeten. Ze hadden er een schuilplaats en ze werden ontdekt en toen werd er geschoten. Een jongen waar ik wel eens mee voetbalde op het pleintje heeft me de kogelgaten in de muur op de Pieter Calandlaan laten zien; die zitten er al heel lang, zei hij.

De RAF vocht voor een betere wereld, in de jaren zeventig.

Ik heb zelf ook een keer gevochten voor een betere wereld. Dat was in de jaren tachtig. Althans, ik heb een keer meegelopen met een demonstratie. Ik weet niet meer waar die demonstratie voor of tegen was. Maar we hoefden niet naar de les, dat weet ik nog wel. We vertrokken van school en daar kwamen we ook weer aan. Toen we klaar waren, ging ik naar huis.

Op de route van school naar huis hingen op vier verschillende plekken gele posters in de ramen: stop de neutronenbom. Toen ik mijn moeder vroeg wat dat was, zei ze dat het een bom was die alle gebouwen liet staan, dat alleen mensen ervan dood gingen. Ik weet nog steeds niet of dat klopt. Ik heb de neutronenbom altijd iets magisch gevonden. Ik zag dat wel voor me, een wereld zonder mensen waar alleen alle dingen er nog waren.
Ook in de ramen: zwartwitposters met boze figuurtjes die de bom een schop gaven.

Op de radio was Doe Maar met De Bom.
Laat maar vallen
want het komt er toch wel van.

Op school liepen oudere jongens in zwarte kleren.

Het was heel veel onschuld, in de jaren 70 en 80. Zelfs de RAF met hun aanslagen en hun doden hebben achteraf gezien een bepaalde liefheid — met veel excuses en respect naar hun slachtoffers, natuurlijk. Elk clubje dat dacht dat communisme een oplossing was, heeft een bepaalde liefheid; naïviteit is altijd een beetje vertederend. Maar ze waren radicaal en de mensen waren bang voor ze.

De radicalen waar de mensen nu bang voor zijn hebben die onschuld niet, ook al zijn zij net als de RAF ervan overtuigd dat de wereld een betere plek wordt als iedereen naar ze luistert. Ik denk alleen dat de radicalen van nu vinden dat iedereen slecht is — in de jaren 70 had juist iedereen iets goeds in zich.

Het is grappig dat het zo loopt: je zou denken dat de geschiedenis terwijl hij zich voltrekt laat zien dat mensen zich op saamhorigheid richten, niet op wij en jullie. In vrijwel elk verhaal dat zich in de toekomst afspeelt, zijn er geen landsgrenzen meer op aarde; grenzen zijn iets heel onlogisch voor mensen met lieve idealen. Maar mensen zijn niet liever geworden. Mensen zijn bozer geworden. En als ze niet boos zijn, zijn ze ongeïnteresseerd.

Dus: de radicale actie is radicaler geworden. Meer doden, minder gericht. En de niet-radicale actie stelt niets meer voor. Als je nog eens een demonstratie op de Dam ziet, zijn het altijd Azerbeidjanen die om vrijheid roepen of iets anders dat Azerbeidjanen nodig hebben. Of Tibetanen. In kleine groepjes. Bij de Tibetanen zie je dan wel een paar verdwaalde Nederlanders, maar die zijn nog van vroeger.

De mensen van nu voeren actie door hun avatar op twitter groen te maken zodat ze laten zien dat ze het heel erg vinden dat er een meisje in Iran is doodgeschoten.
Misschien ben ik zelf nog een beetje van vroeger dat ik dat een beetje jammer vind.

Als ik Star Trek keek, vond ik het volkomen logisch dat er geen landsgrenzen meer bestonden. Ik dacht: mensen gaan allemaal bij elkaar horen. En dan dacht ik niet aan communisme, maar aan aardig voor elkaar zijn. En ik dacht dat ik dat zelf nog mee zou gaan maken, want dat bij elkaar horen zou een beetje gelijk opgaan met de komst van vliegende schotels voor iedereen, en die vliegende schotels waren een kwestie van tijd; vanaf het jaar 2000 zou dat wel een beetje op gang komen. Iedereen wachtte op dat jaar 2000, zo leek het, want er waren een heleboel producten en winkels en leuzen die dat magisch klinkende ‘2000’ incorpereerden.

Ik was niet de enige die wachtte.
Er kwam niets.
Maar niemand hier heeft nog veel zin om actie te voeren.

Alle actie komt altijd voort uit gezamenlijke onvrede. Onvrede is er nog steeds, misschien wel meer dan ooit, maar het is geen onvrede meer over de situatie van mensen — het is onvrede over mensen. Niet-radicale actie is een eenmansbetoging geworden met een reactie op een artikel op telegraaf.nl: ze moeten eens boeven gaan vangen.

De radicale actie van nu is een laatste oprisping - straks, over honderd jaar vind iedereen iedereen stom, en om het dan nog ergens op te laten lijken, maakt ergens iemand zijn avatar op twitter groen, en vervolgens kijkt hij uit het raam om te zien hoe de landsgrens rond zijn huis erbij ligt.

# | Elf reacties | 30 Maart 2010

Een prettig weekend

Zij werkte op de ene afdeling, hij op de andere.
Hij had haar op zijn verjaardag gevraagd. Het was geen verjaardag met familie in een kringetje en taart; het was met wat vrienden en collega's in de kroeg, dus het kon. Zij was nog meegegaan naar een hippe tent waar de mannen graag naartoe wilden, maar ze was weggegaan toen een van de mannen van de andere afdeling zich begon te misdragen.

Ze waren een beetje onhandig verder gegaan, en de onhandigheid kwam vooral van zijn kant. Hij vroeg haar niet echt uit, het was meer een soort meevragen. Ik ga nog met collega's wat drinken, ga je mee. En af en toe stuurde hij een smsje, en ook zijn smsjes waren onhandig. Haar collega's waren nieuwsgierig; na ieder weekend vroegen ze of er nieuws was, of er nog iets gebeurd was, en nee, er was niets gebeurd. Ja, hij heeft bij me op de bank gezeten, nee, hij deed niets. Ze zei tegen haar collega's dat ze niet wist wat ze ermee moest, en haar collega's zeiden dat ze het ook niet wisten.

Toen ze drie weken verder waren, stuurde hij een mailtje op vrijdag, en in het mailtje stond: heb jij een luchtbed?
Ze liet het mailtje aan haar collega's lezen, en die zeiden dat het code was, dat ie viste of ie zou kunnen blijven slapen. Ze antwoordde niet.

Op vrijdagavond liep ze het kantoor uit, en hij liep achter haar, en hij belde: wil je meerijden? Ze dacht: waarom niet.
Ze bleef staan tot hij bij haar was. Hij zei dat zijn auto vlakbij stond. Maar ik moet eerst een luchtbed kopen, zei hij.
Ze gingen drie winkels af. Pas bij de Kijkshop vond hij een luchtbed met electrische pomp. Daarna bracht hij haar naar huis en wenste haar een prettig weekend.

# | Twaalf reacties | 23 Maart 2010

Plekken waar je beter zat

Ik ging zitten in een van de onhandige zitjes bij het raam. Er waren genoeg plekken om beter te zitten, maar ik was daar niet zo goed in, plekken waar je beter zat.
Mijn redacteur kwam een paar minuten later binnen en hij schoof in het onhandige zitje.
We praatten over wat dingen, en toen hadden we het over het derde boek, ik stelde voor hoe ik verder wilde gaan en hij vond het goed, hij zei wat geruststellends, we praatten over wat andere dingen, en we dronken nog wat.
Buiten liepen er goths langs. Mensen in sombere kleren met witgeschilderde gezichten en rare kapsels. Ze kwamen in korte stroompjes, groepjes van twee of drie met tussenpozen van tien, vijftien minuten.

# | Twee reacties | 19 Maart 2010

Niet veel meer

Roy woonde achter de Derkinderenstraat. Hij was Jerry's neef. Ik weet niet precies hoe het in elkaar zat; Jerry kwam van de Antillen en Roy was een Molukker, en Jerry's moeder was Indisch, maar ze was niet Moluks. Het maakte ook niet uit. We reden op zaterdagmiddag naar Roy omdat we niet veel meer te doen hadden.

In het hofje waar Roy woonde, stond een rij garages, en één van die garages was van Roys vader, maar zijn vader reed niet meer, die was te oud en had zijn auto weggedaan. Dus die garage was een beetje van Roy geworden. Roy had zelf geen auto, maar hij was wel monteur, en hij sleutelde er aan de auto's van zijn vrienden. De hofjes achter de Derkinderenstraat hadden veldjes tussen de woonblokken, en om de veldjes heen, tegen de woonblokken aan, stonden prikkelstruiken. Roys ouders woonden op de eerste verdieping van hun blok, en Roys slaapkamer was beneden — als je via de voordeur naar binnen ging, moest je beneden aanbellen, de trap op naar de eerste, naar binnen bij z'n ouders, en dan de trap weer af. Roys kamer had een raam, en door dat raam gingen we dan weer naar buiten, door de prikkelstruiken, naar de garage.

Bij Roy hingen altijd nog een paar jongens, Franco en Corrie, en Patrick, een grote gast die al een stuk ouder was dan wij. Hun auto's stonden op de plaats voor de garages, en Franco had zijn portieren open en zijn radio aan; hij had de beste geluidsinstallatie en hij had 'm op een zender staan die house uitzond — ik weet niet wat voor house het was, het was 1990 en ik denk niet dat er iets anders was dan gewoon house.

Zo hingen we.
Er was altijd wel iets aan een van de auto's te doen, en als er niks aan te doen was, verzonnen we wel iets. Als het regende, riep Roys moeder ons naar boven, en dan gingen we de prikkelstruiken door, stapten we door het raam van Roys slaapkamer en liepen we naar boven. Dan gingen we op de bank zitten en schonk Roys moeder cola voor ons in.

# | Drie reacties | 18 Maart 2010

De verkeerde toren

Mijn zuster belde toen ik op m'n werk zat. M'n moeder was verhuisd naar het ziekenhuis omdat ze weer een longontsteking had. Ze had hoge koorts gehad, vanochtend, die was nu een beetje aan het zakken, maar de mensen van het revalidatiecentrum hadden haar in een ambulance gelegd en haar naar het Lucas laten brengen.

Na het werk fietste ik ernaartoe. Ze lag op een kamer waar ze een week of twee geleden ook had gelegen. De andere mensen waren nieuw. Een oud vrouwtje dat de hele tijd naar ons zou blijven kijken, een oude man die in een rolstoel was gezet en bewoog door kleine stapjes op de vloer te zetten, en een man met een baard. De man met de baard zag eruit alsof hij in een band die liedjes van Boudewijn de Groot speelde had gezeten.
Mijn moeder sliep.
Ik legde mijn hand zacht op haar arm en ze werd wakker.
We praatten een beetje, ze vertelde hoe het gegaan was vanochtend. Ik legde mijn hand op haar voorhoofd — ze was niet warm meer.
Toen we niets meer te zeggen hadden, keek ze omhoog. Boven het bed hing een televisie, en die stond uit.
Ik vroeg of ik een tv-kaart voor haar moest halen.
Graag, zei ze.

Ik pakte de lift naar beneden, liep naar de hal, naar de automaat die tv-kaarten uitgaf. Er was een A4-tje opgeplakt, en op het A4-tje had iemand met balpen 'defect' geschreven. Ik liep naar de portier. De portier was een jongen met puisten, en hij vertelde me dat er nog zo'n automaat op de tweede stond. Hij wees naar het trappenhuis, rechts van hem.
Ik pakte de lift naar de tweede. Op de tweede vond ik geen automaat. Alleen deuren naar verkoeverkamers en operatiecomplexen. Er kwamen twee jonge dokters aangelopen — ze hadden geen witte jassen aan, alleen maar stethoscopen om hun nek hangen. Ik vroeg ze of ze wisten waar de automaat stond.
De langste van de twee zei dat ik in de verkeerde toren stond. Dat ik het andere trappenhuis naar de tweede had moeten nemen. Hij wees me de kortste weg naar de andere toren, via de eerste verdieping; hij liep een klein stukje met me mee om de deur die ik moest hebben aan te wijzen.
Ik bedankte hem.
Succes, zei hij.

# | Eén reactie | 17 Maart 2010

Een ongelukkige soep van misplaatsten

Het was een donderdagochtend en de V&D zat nog in de Bilderdijkstraat. Ik had Aardrijkskunde maar ik was niet gegaan. Het heette geen spijbelen meer, want ik zat op de moedermavo. Aardrijkskunde was niet heel vervelend, maar de mensen die op de school rondliepen waren dat wel. Ouderen die niet meer werkten en jongeren die van hun normale school waren afgetrapt of daar niet mee konden komen — een ongelukkige soep van misplaatsten. De ouderen waren te geïnteresseerd, de jongeren hadden vastgehouden aan hun houding van het tegenovergestelde: ik ben hier omdat het moet. Maar het moest niet.
Daarom was ik in de V&D. Ik was mijn tijd aan het volmaken. Het moest niet, maar ik was achttien en thuis moest ik vertellen hoe het was geweest, op school, en daarom moest ik ook echt weg zijn geweest.

Ik keek rond bij de muziek; het was de tijd dat er een stelling met singletjes achter de balie stond, met nummers van 1 tot en met 40. Ik stond een tijdje bij de singeltjes, maar ik had geen platenspeler. Ik weet niet meer wat er in de top 40 stond.

Na de singeltjes ging ik naar de bandjes. Er was ook een rek met voorbespeelde cassettebandjes, de harde plastic hoesjes in cellofaan, in een systeem met een slot aan de onderkant van het rek: je moest een verkoper roepen als je een bandje wilde hebben.
Ik keek rond bij de bandjes en ik zag iets wat ik wilde hebben. Een bandje van John Hiatt. Ik weet niet meer waarom ik het toen wilde hebben; misschien had ik iets van hem op de radio gehoord, misschien dacht ik: nu ga ik van country houden. Ik weet niet of je John Hiatt country kan noemen, maar ik weet wel dat ik dat soort dingen kon beslissen. Nu ga ik van country houden, en dit is mijn eerste aankoop. Ik riep er een verkoper bij en kocht het bandje. Ik draaide thuis alleen maar bandjes; de vriend die mijn moeder toen had, had uit de haven een radio-cassettespeler voor me meegenomen. Aan de radio had ik niks, want mijn slaapkamer was in de kelder, en de antenne deed er niet veel.
In mijn herinnering ben ik kleiner dan de verkoper, maar dat kan niet, want toen ik achttien was, was ik al twee meter. Ik heb dat met meer herinneringen uit die tijd: ik stel mezelf altijd kleiner voor dan ik was. Nu doe ik dat al een tijdje niet meer. Als ik me nu iets van een jaar of twee, drie geleden herinner, ben ik gewoon twee meter.

Ik denk dat ik nog ergens ben gaan rond gaan hangen, want Aardrijkskunde duurde anderhalf uur, en toen ben ik naar huis gegaan.

# | Vijf reacties | 16 Maart 2010

Tussen de boekenkasten door

Ik nam de lift naar de derde etage. Op de derde zit een uitbouw binnen het glas, en in de uitbouw staan ouderwetse tafels zoals ze vroeger ook in bibliotheken moeten hebben gestaan, met een schuin tafelblad en groen vilt. Ik heb daar vaker gezeten; als je niet schreef, kon je door de grote ramen naar de stad kijken.
Ik kwam de lift uit en de OBA was vol. Achter de rijen met computers zaten Marokkaanse jongetjes Runequest te spelen, op de plekken zonder computers zaten studenten met openliggende boeken en opengeklapte laptops.
Ik liep tussen de boekenkasten door naar de uitbouw, maar alle plekken in de uitbouw waren bezet, de tafels onzichtbaar onder al het papier.
Ik pakte een roltrap omhoog, ik pakte weer een roltrap omlaag, ik vond een plek in een diepe stoel zonder tafel, legde mijn macbook op een kunstboek op mijn schoot, klapte 'm open — en er kwam niets.

Ik las wat ik tot dan toe had, zuchtte een paar keer diep, keek op twitter, keek op facebook, klapte mijn macbook weer dicht en vertrok.

# | Twee reacties | 15 Maart 2010

Dat ik wist wat ik wilde

Ik liep de Amsterdamse Poort door met mijn fiets aan mijn hand. Er zat een parfumwinkel; ik had 'm een keer gezien.
Het was bijna zes uur 's avonds en ik wist niet of ze hier nog aan koopavond deden; koopavond is als een soort feestdag die nauwelijks meer wordt gevierd in Amsterdam, zoals Sint Maarten, omdat de stad altijd open is op zondag.

Ik liep een rondje en vond de winkel. Binnen stonden alleen maar negerinnen. De winkeldames en de klanten. Een winkeldame kwam naar me toe en vroeg of ze me kon helpen. Ik zei dat ik een geurtje wilde voor mijn vriendin, en ze was klaar om te zuchten — een man die een geurtje voor zijn vriendin wilde, waar moest je beginnen?
Ik zei snel dat ik wist wat ik wilde. Die, wees ik aan. Ze had een monstertje gekregen en ze had er heel zuinig mee gedaan omdat ze 'm zo lekker vond ruiken. Ik was al heel lang van plan geweest een heel flesje voor haar te kopen, en vandaag was er een gelegenheid geweest; een reden.

De winkeldame rekende met me af en gaf het flesje aan een andere winkeldame, vroeg of zij 'm in wilde pakken. Toen we klaar waren met afrekenen, ging de eerste winkeldame ergens anders staan en liet me alleen met de tweede winkeldame. Ze pakte het flesje netjes in, goudkleurig pakpapier en een hardroze krul eraan. Ze zei dat ze alleen nog hele grote tassen had. Ik zei dat ik 'm zo mee zou nemen.

Ik fietste naar haar huis, en toen ik er bijna was, kreeg ik een smsje, hoe laat zou ik thuis zijn, en ik wilde eerst iets terugsms'en, maar ik stopte m'n telefoon weer weg, zette mijn fiets op slot, ging naar boven en naar binnen en zei dat ik een cadeautje voor haar had.
Zij zei dat ze ook een cadeautje voor mij had.

# | Negen reacties | 12 Maart 2010

In de tijd dat alle koninginnedagen warm waren

Het was koninginnedag en we waren begonnen bij Daan thuis. We waren met vijf jongens, of mannen eigenlijk — iedereen was ouder dan ik, en ik was al oud. Bij Daan thuis hadden de anderen paddestoelen genomen, en iemand was met biertjes binnengekomen, en ze maakten grappen over mijn nuchterheid. Dat duurde altijd maar even, en zo ging het ieder jaar. De jongens waren vrienden van elkaar, maar niet heel erg van mij; alleen Daan zag ik regelmatig, de anderen waren voor mij koninginnedag, Ajax in de Champion's League, Nederland met het WK.

We liepen Daans huis uit, de Jordaan in, en bij de eerste bierpomp werd nog meer bier gehaald. En zo gingen we door, de overstroomde straten over, naar het Museumplein, eerst, want daar stond kermis, en we moesten een doel hebben.
Op de kermis gingen we de cakewalk in, en Jonathan raakte al zijn drugs kwijt — de bewegende trap had al zijn zakjes en pakjes uit zijn borstzakje geschud. Een jongen die bij de cakewalk werkte, wilde hem helpen met oprapen, maar trok zijn handen terug toen hij zag wat hij wilde pakken.
In het reuzenrad keken we over de stad, en we maakten grappen. Alle bomen die nog op het Museumplein stonden waren lichtgroen in de zon. In die tijd waren alle koninginnedagen warm.

We duwden onszelf de stad weer in, en de anderen waren dronken, stoned, van alles, en ik zorgde dat Armin, die altijd harder liep als ie meer drugs had gebruikt, bij ons bleef, en ik trok Jonathan mee toen ie op het Leidsplein ruzie zocht met een grote gast op een lage motor. De Angels, zei hij, dat zijn pas mannen, en hij zei dat we naar de bar van de Hell's Angels op de wallen moesten, en hij zeurde net zo lang door tot er werd toegegeven.

Ik denk dat we de Leidsestraat niet namen; ik weet het niet meer. Het enige dat ik altijd tegen mensen van buiten Amsterdam zeg als ze vragen waar ze heen moeten met koninginnedag, is: vermijd de Leidsestraat.
Maar we kwamen op de wallen, en we liepen het café van de Hell's Angels binnen, en de anderen met al hun bier en hun drugs en hun onzekere bravoure bestelden nog meer bier, schreeuwden naar elkaar en gingen tussen de Hell's Angels staan alsof ze dat iedere dag deden, en ik vond een hondje op de bank bij het raam, een Jack Russelachtige, en het hondje kwispelde en ik aaide en ik ging ernaast zitten; het zette haar pootjes op mijn schoot en vroeg om meer, en ik aaide door.
De grootste Hell's Angel maakte zich los uit de groep bij de bar, kwam naar me toe en zei: lief is ze, hè?
Heel lief, zei ik.

# | Vier reacties | 11 Maart 2010

Het silhouet van de ooievaars

Ze stapten de deur uit na het eten, en het was later geworden dan ze van plan waren, want ze wilden van het goeie weer genieten maar het was al donker, toch, en koud nu — maar ze hadden het de hond en elkaar beloofd, dus ze gingen toch.
De hond mocht los toen ze bij het eerste park waren, hij keek af en toe achterom om te zien welk pad hij kon nemen, en ze liepen achter hem aan, af en toe hand in hand, af en toe de handen in de zakken om warm te worden, en ze liepen over de donkere paden langs het kleine vijvertje in de richting van de grote weg, gingen daar onderdoor, keken naar de mooie huizen aan de overkant van het water, en ze praatten lang en veel over de dingen waar ze blij van werden: het huis opknappen, samenwonen, de vrienden die ze hadden, en toen ze het eerste park uit waren en het kleine stukje naar het tweede park overbrugden, de hond aan de lijn, wezen ze elkaar nog meer huizen aan: daar, en dat is ook mooi, en kijk daarbinnen, nu weten we dat we geen rode muur moeten nemen (ze lachten), en deze huisjes hier, net een klein dorpje in de stad.
In het tweede park ging de hond weer los en hij rende naar elk geurtje dat hij op moest snuiven, negeerde kleine hondjes die naar hem blaften.
Ze keken naar het silhouet van de ooievaars in hun nest, en ze liepen door, wachtten met oversteken van het grote pad op een groepje renners, gingen aan de andere kant het park weer uit en liepen door de oude wijk terug naar huis; ondertussen bij etalages stilstaand, die lamp misschien, en hier kunnen we nog voor meer borden kijken. Zo gingen ze &mdash en alles aan hen moet geluk hebben uitgestraald.

# | Zes reacties | 10 Maart 2010

Nooit haast hier

We zaten aan de boulevard en het was middag. De avond ervoor hadden we hier ook gezeten, bij dezelfde tent, we hadden even moeten kijken, maar ja, zie die lampen, daar hadden we het over gehad, Ikea-lampen, dus in Griekenland moesten ze Ikea hebben. De avond ervoor hadden we frappés gedronken. Nu Fanta Lemon, en het ging hard, want het was heet.
Op de boulevard waren perkjes aangelegd, kleine stukjes gras met een muurtje eromheen, een boom in het midden. Verderop het beeld van Onassis, neergezet door mensen die zich zijn vrienden hadden genoemd.

Er kwam een groepje aangelopen, drie orthodoxe priesters met grote baarden, in zwarte gewaden en een een stuk of tien, twaalf meisjes.
Ze bleven hangen bij het perkje recht voor ons, één priester leunde tegen de boom, pakte de weinige schaduw die de boom gaf, de andere twee praatten met elkaar, de meisjes gingen op de muurtjes rond de perkjes zitten, twee gingen bij de priester onder de boom staan. De jongste van de twee leunde tegen hem aan, nonchalant, ze maakten grapjes, er werd gelachen.
Een van de meisjes had een gitaar.
Ze droegen allemaal nette rokken; het meisje dat het gewaagdst was gekleed, was ook nog tuttig.

Wij zaten en we keken. We vroegen ons af wat de situatie was — een schoolklas op stap? Nee, het was zaterdag, en scholen zullen nu toch ook wel vakantie hebben hier?
Een van de priesters wees een kant op, de helft van het groepje liep weg, een paar meisjes en de priester onder de boom bleven nog even hangen.
Wij bestelden nog een Fanta Lemon.
Het strandje waar we vandaag naartoe wilden rijden was dichtbij. Geen haast. Nooit haast, hier.

# | Twee reacties | 09 Maart 2010

alles © Walter van den Berg.

Mijn krenten in uw pap