808 woorden: Actie

Een column voor Passionate.

De RAF heeft ooit in Osdorp gezeten. Ze hadden er een schuilplaats en ze werden ontdekt en toen werd er geschoten. Een jongen waar ik wel eens mee voetbalde op het pleintje heeft me de kogelgaten in de muur op de Pieter Calandlaan laten zien; die zitten er al heel lang, zei hij.

De RAF vocht voor een betere wereld, in de jaren zeventig.

Ik heb zelf ook een keer gevochten voor een betere wereld. Dat was in de jaren tachtig. Althans, ik heb een keer meegelopen met een demonstratie. Ik weet niet meer waar die demonstratie voor of tegen was. Maar we hoefden niet naar de les, dat weet ik nog wel. We vertrokken van school en daar kwamen we ook weer aan. Toen we klaar waren, ging ik naar huis.

Op de route van school naar huis hingen op vier verschillende plekken gele posters in de ramen: stop de neutronenbom. Toen ik mijn moeder vroeg wat dat was, zei ze dat het een bom was die alle gebouwen liet staan, dat alleen mensen ervan dood gingen. Ik weet nog steeds niet of dat klopt. Ik heb de neutronenbom altijd iets magisch gevonden. Ik zag dat wel voor me, een wereld zonder mensen waar alleen alle dingen er nog waren.
Ook in de ramen: zwartwitposters met boze figuurtjes die de bom een schop gaven.

Op de radio was Doe Maar met De Bom.
Laat maar vallen
want het komt er toch wel van.

Op school liepen oudere jongens in zwarte kleren.

Het was heel veel onschuld, in de jaren 70 en 80. Zelfs de RAF met hun aanslagen en hun doden hebben achteraf gezien een bepaalde liefheid — met veel excuses en respect naar hun slachtoffers, natuurlijk. Elk clubje dat dacht dat communisme een oplossing was, heeft een bepaalde liefheid; naïviteit is altijd een beetje vertederend. Maar ze waren radicaal en de mensen waren bang voor ze.

De radicalen waar de mensen nu bang voor zijn hebben die onschuld niet, ook al zijn zij net als de RAF ervan overtuigd dat de wereld een betere plek wordt als iedereen naar ze luistert. Ik denk alleen dat de radicalen van nu vinden dat iedereen slecht is — in de jaren 70 had juist iedereen iets goeds in zich.

Het is grappig dat het zo loopt: je zou denken dat de geschiedenis terwijl hij zich voltrekt laat zien dat mensen zich op saamhorigheid richten, niet op wij en jullie. In vrijwel elk verhaal dat zich in de toekomst afspeelt, zijn er geen landsgrenzen meer op aarde; grenzen zijn iets heel onlogisch voor mensen met lieve idealen. Maar mensen zijn niet liever geworden. Mensen zijn bozer geworden. En als ze niet boos zijn, zijn ze ongeïnteresseerd.

Dus: de radicale actie is radicaler geworden. Meer doden, minder gericht. En de niet-radicale actie stelt niets meer voor. Als je nog eens een demonstratie op de Dam ziet, zijn het altijd Azerbeidjanen die om vrijheid roepen of iets anders dat Azerbeidjanen nodig hebben. Of Tibetanen. In kleine groepjes. Bij de Tibetanen zie je dan wel een paar verdwaalde Nederlanders, maar die zijn nog van vroeger.

De mensen van nu voeren actie door hun avatar op twitter groen te maken zodat ze laten zien dat ze het heel erg vinden dat er een meisje in Iran is doodgeschoten.
Misschien ben ik zelf nog een beetje van vroeger dat ik dat een beetje jammer vind.

Als ik Star Trek keek, vond ik het volkomen logisch dat er geen landsgrenzen meer bestonden. Ik dacht: mensen gaan allemaal bij elkaar horen. En dan dacht ik niet aan communisme, maar aan aardig voor elkaar zijn. En ik dacht dat ik dat zelf nog mee zou gaan maken, want dat bij elkaar horen zou een beetje gelijk opgaan met de komst van vliegende schotels voor iedereen, en die vliegende schotels waren een kwestie van tijd; vanaf het jaar 2000 zou dat wel een beetje op gang komen. Iedereen wachtte op dat jaar 2000, zo leek het, want er waren een heleboel producten en winkels en leuzen die dat magisch klinkende ‘2000’ incorpereerden.

Ik was niet de enige die wachtte.
Er kwam niets.
Maar niemand hier heeft nog veel zin om actie te voeren.

Alle actie komt altijd voort uit gezamenlijke onvrede. Onvrede is er nog steeds, misschien wel meer dan ooit, maar het is geen onvrede meer over de situatie van mensen — het is onvrede over mensen. Niet-radicale actie is een eenmansbetoging geworden met een reactie op een artikel op telegraaf.nl: ze moeten eens boeven gaan vangen.

De radicale actie van nu is een laatste oprisping - straks, over honderd jaar vind iedereen iedereen stom, en om het dan nog ergens op te laten lijken, maakt ergens iemand zijn avatar op twitter groen, en vervolgens kijkt hij uit het raam om te zien hoe de landsgrens rond zijn huis erbij ligt.

# | Elf reacties | 30 Maart 2010

Een prettig weekend

Zij werkte op de ene afdeling, hij op de andere.
Hij had haar op zijn verjaardag gevraagd. Het was geen verjaardag met familie in een kringetje en taart; het was met wat vrienden en collega's in de kroeg, dus het kon. Zij was nog meegegaan naar een hippe tent waar de mannen graag naartoe wilden, maar ze was weggegaan toen een van de mannen van de andere afdeling zich begon te misdragen.

Ze waren een beetje onhandig verder gegaan, en de onhandigheid kwam vooral van zijn kant. Hij vroeg haar niet echt uit, het was meer een soort meevragen. Ik ga nog met collega's wat drinken, ga je mee. En af en toe stuurde hij een smsje, en ook zijn smsjes waren onhandig. Haar collega's waren nieuwsgierig; na ieder weekend vroegen ze of er nieuws was, of er nog iets gebeurd was, en nee, er was niets gebeurd. Ja, hij heeft bij me op de bank gezeten, nee, hij deed niets. Ze zei tegen haar collega's dat ze niet wist wat ze ermee moest, en haar collega's zeiden dat ze het ook niet wisten.

Toen ze drie weken verder waren, stuurde hij een mailtje op vrijdag, en in het mailtje stond: heb jij een luchtbed?
Ze liet het mailtje aan haar collega's lezen, en die zeiden dat het code was, dat ie viste of ie zou kunnen blijven slapen. Ze antwoordde niet.

Op vrijdagavond liep ze het kantoor uit, en hij liep achter haar, en hij belde: wil je meerijden? Ze dacht: waarom niet.
Ze bleef staan tot hij bij haar was. Hij zei dat zijn auto vlakbij stond. Maar ik moet eerst een luchtbed kopen, zei hij.
Ze gingen drie winkels af. Pas bij de Kijkshop vond hij een luchtbed met electrische pomp. Daarna bracht hij haar naar huis en wenste haar een prettig weekend.

# | Twaalf reacties | 23 Maart 2010

Plekken waar je beter zat

Ik ging zitten in een van de onhandige zitjes bij het raam. Er waren genoeg plekken om beter te zitten, maar ik was daar niet zo goed in, plekken waar je beter zat.
Mijn redacteur kwam een paar minuten later binnen en hij schoof in het onhandige zitje.
We praatten over wat dingen, en toen hadden we het over het derde boek, ik stelde voor hoe ik verder wilde gaan en hij vond het goed, hij zei wat geruststellends, we praatten over wat andere dingen, en we dronken nog wat.
Buiten liepen er goths langs. Mensen in sombere kleren met witgeschilderde gezichten en rare kapsels. Ze kwamen in korte stroompjes, groepjes van twee of drie met tussenpozen van tien, vijftien minuten.

# | Twee reacties | 19 Maart 2010

Niet veel meer

Roy woonde achter de Derkinderenstraat. Hij was Jerry's neef. Ik weet niet precies hoe het in elkaar zat; Jerry kwam van de Antillen en Roy was een Molukker, en Jerry's moeder was Indisch, maar ze was niet Moluks. Het maakte ook niet uit. We reden op zaterdagmiddag naar Roy omdat we niet veel meer te doen hadden.

In het hofje waar Roy woonde, stond een rij garages, en één van die garages was van Roys vader, maar zijn vader reed niet meer, die was te oud en had zijn auto weggedaan. Dus die garage was een beetje van Roy geworden. Roy had zelf geen auto, maar hij was wel monteur, en hij sleutelde er aan de auto's van zijn vrienden. De hofjes achter de Derkinderenstraat hadden veldjes tussen de woonblokken, en om de veldjes heen, tegen de woonblokken aan, stonden prikkelstruiken. Roys ouders woonden op de eerste verdieping van hun blok, en Roys slaapkamer was beneden — als je via de voordeur naar binnen ging, moest je beneden aanbellen, de trap op naar de eerste, naar binnen bij z'n ouders, en dan de trap weer af. Roys kamer had een raam, en door dat raam gingen we dan weer naar buiten, door de prikkelstruiken, naar de garage.

Bij Roy hingen altijd nog een paar jongens, Franco en Corrie, en Patrick, een grote gast die al een stuk ouder was dan wij. Hun auto's stonden op de plaats voor de garages, en Franco had zijn portieren open en zijn radio aan; hij had de beste geluidsinstallatie en hij had 'm op een zender staan die house uitzond — ik weet niet wat voor house het was, het was 1990 en ik denk niet dat er iets anders was dan gewoon house.

Zo hingen we.
Er was altijd wel iets aan een van de auto's te doen, en als er niks aan te doen was, verzonnen we wel iets. Als het regende, riep Roys moeder ons naar boven, en dan gingen we de prikkelstruiken door, stapten we door het raam van Roys slaapkamer en liepen we naar boven. Dan gingen we op de bank zitten en schonk Roys moeder cola voor ons in.

# | Drie reacties | 18 Maart 2010

De verkeerde toren

Mijn zuster belde toen ik op m'n werk zat. M'n moeder was verhuisd naar het ziekenhuis omdat ze weer een longontsteking had. Ze had hoge koorts gehad, vanochtend, die was nu een beetje aan het zakken, maar de mensen van het revalidatiecentrum hadden haar in een ambulance gelegd en haar naar het Lucas laten brengen.

Na het werk fietste ik ernaartoe. Ze lag op een kamer waar ze een week of twee geleden ook had gelegen. De andere mensen waren nieuw. Een oud vrouwtje dat de hele tijd naar ons zou blijven kijken, een oude man die in een rolstoel was gezet en bewoog door kleine stapjes op de vloer te zetten, en een man met een baard. De man met de baard zag eruit alsof hij in een band die liedjes van Boudewijn de Groot speelde had gezeten.
Mijn moeder sliep.
Ik legde mijn hand zacht op haar arm en ze werd wakker.
We praatten een beetje, ze vertelde hoe het gegaan was vanochtend. Ik legde mijn hand op haar voorhoofd — ze was niet warm meer.
Toen we niets meer te zeggen hadden, keek ze omhoog. Boven het bed hing een televisie, en die stond uit.
Ik vroeg of ik een tv-kaart voor haar moest halen.
Graag, zei ze.

Ik pakte de lift naar beneden, liep naar de hal, naar de automaat die tv-kaarten uitgaf. Er was een A4-tje opgeplakt, en op het A4-tje had iemand met balpen 'defect' geschreven. Ik liep naar de portier. De portier was een jongen met puisten, en hij vertelde me dat er nog zo'n automaat op de tweede stond. Hij wees naar het trappenhuis, rechts van hem.
Ik pakte de lift naar de tweede. Op de tweede vond ik geen automaat. Alleen deuren naar verkoeverkamers en operatiecomplexen. Er kwamen twee jonge dokters aangelopen — ze hadden geen witte jassen aan, alleen maar stethoscopen om hun nek hangen. Ik vroeg ze of ze wisten waar de automaat stond.
De langste van de twee zei dat ik in de verkeerde toren stond. Dat ik het andere trappenhuis naar de tweede had moeten nemen. Hij wees me de kortste weg naar de andere toren, via de eerste verdieping; hij liep een klein stukje met me mee om de deur die ik moest hebben aan te wijzen.
Ik bedankte hem.
Succes, zei hij.

# | Eén reactie | 17 Maart 2010

Een ongelukkige soep van misplaatsten

Het was een donderdagochtend en de V&D zat nog in de Bilderdijkstraat. Ik had Aardrijkskunde maar ik was niet gegaan. Het heette geen spijbelen meer, want ik zat op de moedermavo. Aardrijkskunde was niet heel vervelend, maar de mensen die op de school rondliepen waren dat wel. Ouderen die niet meer werkten en jongeren die van hun normale school waren afgetrapt of daar niet mee konden komen — een ongelukkige soep van misplaatsten. De ouderen waren te geïnteresseerd, de jongeren hadden vastgehouden aan hun houding van het tegenovergestelde: ik ben hier omdat het moet. Maar het moest niet.
Daarom was ik in de V&D. Ik was mijn tijd aan het volmaken. Het moest niet, maar ik was achttien en thuis moest ik vertellen hoe het was geweest, op school, en daarom moest ik ook echt weg zijn geweest.

Ik keek rond bij de muziek; het was de tijd dat er een stelling met singletjes achter de balie stond, met nummers van 1 tot en met 40. Ik stond een tijdje bij de singeltjes, maar ik had geen platenspeler. Ik weet niet meer wat er in de top 40 stond.

Na de singeltjes ging ik naar de bandjes. Er was ook een rek met voorbespeelde cassettebandjes, de harde plastic hoesjes in cellofaan, in een systeem met een slot aan de onderkant van het rek: je moest een verkoper roepen als je een bandje wilde hebben.
Ik keek rond bij de bandjes en ik zag iets wat ik wilde hebben. Een bandje van John Hiatt. Ik weet niet meer waarom ik het toen wilde hebben; misschien had ik iets van hem op de radio gehoord, misschien dacht ik: nu ga ik van country houden. Ik weet niet of je John Hiatt country kan noemen, maar ik weet wel dat ik dat soort dingen kon beslissen. Nu ga ik van country houden, en dit is mijn eerste aankoop. Ik riep er een verkoper bij en kocht het bandje. Ik draaide thuis alleen maar bandjes; de vriend die mijn moeder toen had, had uit de haven een radio-cassettespeler voor me meegenomen. Aan de radio had ik niks, want mijn slaapkamer was in de kelder, en de antenne deed er niet veel.
In mijn herinnering ben ik kleiner dan de verkoper, maar dat kan niet, want toen ik achttien was, was ik al twee meter. Ik heb dat met meer herinneringen uit die tijd: ik stel mezelf altijd kleiner voor dan ik was. Nu doe ik dat al een tijdje niet meer. Als ik me nu iets van een jaar of twee, drie geleden herinner, ben ik gewoon twee meter.

Ik denk dat ik nog ergens ben gaan rond gaan hangen, want Aardrijkskunde duurde anderhalf uur, en toen ben ik naar huis gegaan.

# | Vijf reacties | 16 Maart 2010

Tussen de boekenkasten door

Ik nam de lift naar de derde etage. Op de derde zit een uitbouw binnen het glas, en in de uitbouw staan ouderwetse tafels zoals ze vroeger ook in bibliotheken moeten hebben gestaan, met een schuin tafelblad en groen vilt. Ik heb daar vaker gezeten; als je niet schreef, kon je door de grote ramen naar de stad kijken.
Ik kwam de lift uit en de OBA was vol. Achter de rijen met computers zaten Marokkaanse jongetjes Runequest te spelen, op de plekken zonder computers zaten studenten met openliggende boeken en opengeklapte laptops.
Ik liep tussen de boekenkasten door naar de uitbouw, maar alle plekken in de uitbouw waren bezet, de tafels onzichtbaar onder al het papier.
Ik pakte een roltrap omhoog, ik pakte weer een roltrap omlaag, ik vond een plek in een diepe stoel zonder tafel, legde mijn macbook op een kunstboek op mijn schoot, klapte 'm open — en er kwam niets.

Ik las wat ik tot dan toe had, zuchtte een paar keer diep, keek op twitter, keek op facebook, klapte mijn macbook weer dicht en vertrok.

# | Twee reacties | 15 Maart 2010
× Met slimmigheid van Bob is het me (waarschijnlijk) gelukt de feed naar feedburner te verhuizen zonder dat iemand daar last van heeft. U hoeft niet te draaien aan uw knoppen. {1}

× Voor de mensen die vandenb.com via een feed lezen: heel waarschijnlijk ga ik mijn feed verhuizen naar feedburner, want een van de manco's van rss is dat je niet kan zien hoeveel mensen je op die manier lezen; met feedburner kan dat wel. En ja, ik vind statistieken af en toe best belangrijk.
Gevaarlijk aan het verhuizen: als je mensen vraagt hun feedreader aan te passen, haken er vast wel wat lezers af. Maar ja, enzo.
Ook voor de mensen die mijn site nooit meer in vol ornaat bekijken: vandaag heb ik mijn delicious-account weer op de voorkant gezet, en daar link ik (vooral voor mezelf) naar dingen die ik leuk of boeiend of nerdig vind (en dat gaat bij mij in vlagen, heb ik al eens gemerkt). Die links komen niet door in de feed, maar je kan je natuurlijk ook op die feed abonneren.
Mochten feedlezers iets over bovenstaands te melden hebben ('Feedburner is van de duivel!'), kom eens gezellig binnen en laat een reactie achter. Ik waardeer u: ik lees zelf al mijn weblogs in Google Reader. Wij zijn familie. Echt. {>1}

× Dit is een postje vanaf de iPhone. Voor de gewone lezer nauwelijks interessant, voor nerds: pivotx is er (bijna) klaar voor. {>1}

» Professor Bijzinnen -- Michel is sinds gisteren officieel hoogleraar. Die bloggers kunnen best wel iets. {0}

Dat ik wist wat ik wilde

Ik liep de Amsterdamse Poort door met mijn fiets aan mijn hand. Er zat een parfumwinkel; ik had 'm een keer gezien.
Het was bijna zes uur 's avonds en ik wist niet of ze hier nog aan koopavond deden; koopavond is als een soort feestdag die nauwelijks meer wordt gevierd in Amsterdam, zoals Sint Maarten, omdat de stad altijd open is op zondag.

Ik liep een rondje en vond de winkel. Binnen stonden alleen maar negerinnen. De winkeldames en de klanten. Een winkeldame kwam naar me toe en vroeg of ze me kon helpen. Ik zei dat ik een geurtje wilde voor mijn vriendin, en ze was klaar om te zuchten — een man die een geurtje voor zijn vriendin wilde, waar moest je beginnen?
Ik zei snel dat ik wist wat ik wilde. Die, wees ik aan. Ze had een monstertje gekregen en ze had er heel zuinig mee gedaan omdat ze 'm zo lekker vond ruiken. Ik was al heel lang van plan geweest een heel flesje voor haar te kopen, en vandaag was er een gelegenheid geweest; een reden.

De winkeldame rekende met me af en gaf het flesje aan een andere winkeldame, vroeg of zij 'm in wilde pakken. Toen we klaar waren met afrekenen, ging de eerste winkeldame ergens anders staan en liet me alleen met de tweede winkeldame. Ze pakte het flesje netjes in, goudkleurig pakpapier en een hardroze krul eraan. Ze zei dat ze alleen nog hele grote tassen had. Ik zei dat ik 'm zo mee zou nemen.

Ik fietste naar haar huis, en toen ik er bijna was, kreeg ik een smsje, hoe laat zou ik thuis zijn, en ik wilde eerst iets terugsms'en, maar ik stopte m'n telefoon weer weg, zette mijn fiets op slot, ging naar boven en naar binnen en zei dat ik een cadeautje voor haar had.
Zij zei dat ze ook een cadeautje voor mij had.

# | Negen reacties | 12 Maart 2010

In de tijd dat alle koninginnedagen warm waren

Het was koninginnedag en we waren begonnen bij Daan thuis. We waren met vijf jongens, of mannen eigenlijk — iedereen was ouder dan ik, en ik was al oud. Bij Daan thuis hadden de anderen paddestoelen genomen, en iemand was met biertjes binnengekomen, en ze maakten grappen over mijn nuchterheid. Dat duurde altijd maar even, en zo ging het ieder jaar. De jongens waren vrienden van elkaar, maar niet heel erg van mij; alleen Daan zag ik regelmatig, de anderen waren voor mij koninginnedag, Ajax in de Champion's League, Nederland met het WK.

We liepen Daans huis uit, de Jordaan in, en bij de eerste bierpomp werd nog meer bier gehaald. En zo gingen we door, de overstroomde straten over, naar het Museumplein, eerst, want daar stond kermis, en we moesten een doel hebben.
Op de kermis gingen we de cakewalk in, en Jonathan raakte al zijn drugs kwijt — de bewegende trap had al zijn zakjes en pakjes uit zijn borstzakje geschud. Een jongen die bij de cakewalk werkte, wilde hem helpen met oprapen, maar trok zijn handen terug toen hij zag wat hij wilde pakken.
In het reuzenrad keken we over de stad, en we maakten grappen. Alle bomen die nog op het Museumplein stonden waren lichtgroen in de zon. In die tijd waren alle koninginnedagen warm.

We duwden onszelf de stad weer in, en de anderen waren dronken, stoned, van alles, en ik zorgde dat Armin, die altijd harder liep als ie meer drugs had gebruikt, bij ons bleef, en ik trok Jonathan mee toen ie op het Leidsplein ruzie zocht met een grote gast op een lage motor. De Angels, zei hij, dat zijn pas mannen, en hij zei dat we naar de bar van de Hell's Angels op de wallen moesten, en hij zeurde net zo lang door tot er werd toegegeven.

Ik denk dat we de Leidsestraat niet namen; ik weet het niet meer. Het enige dat ik altijd tegen mensen van buiten Amsterdam zeg als ze vragen waar ze heen moeten met koninginnedag, is: vermijd de Leidsestraat.
Maar we kwamen op de wallen, en we liepen het café van de Hell's Angels binnen, en de anderen met al hun bier en hun drugs en hun onzekere bravoure bestelden nog meer bier, schreeuwden naar elkaar en gingen tussen de Hell's Angels staan alsof ze dat iedere dag deden, en ik vond een hondje op de bank bij het raam, een Jack Russelachtige, en het hondje kwispelde en ik aaide en ik ging ernaast zitten; het zette haar pootjes op mijn schoot en vroeg om meer, en ik aaide door.
De grootste Hell's Angel maakte zich los uit de groep bij de bar, kwam naar me toe en zei: lief is ze, hè?
Heel lief, zei ik.

# | Vier reacties | 11 Maart 2010

Het silhouet van de ooievaars

Ze stapten de deur uit na het eten, en het was later geworden dan ze van plan waren, want ze wilden van het goeie weer genieten maar het was al donker, toch, en koud nu — maar ze hadden het de hond en elkaar beloofd, dus ze gingen toch.
De hond mocht los toen ze bij het eerste park waren, hij keek af en toe achterom om te zien welk pad hij kon nemen, en ze liepen achter hem aan, af en toe hand in hand, af en toe de handen in de zakken om warm te worden, en ze liepen over de donkere paden langs het kleine vijvertje in de richting van de grote weg, gingen daar onderdoor, keken naar de mooie huizen aan de overkant van het water, en ze praatten lang en veel over de dingen waar ze blij van werden: het huis opknappen, samenwonen, de vrienden die ze hadden, en toen ze het eerste park uit waren en het kleine stukje naar het tweede park overbrugden, de hond aan de lijn, wezen ze elkaar nog meer huizen aan: daar, en dat is ook mooi, en kijk daarbinnen, nu weten we dat we geen rode muur moeten nemen (ze lachten), en deze huisjes hier, net een klein dorpje in de stad.
In het tweede park ging de hond weer los en hij rende naar elk geurtje dat hij op moest snuiven, negeerde kleine hondjes die naar hem blaften.
Ze keken naar het silhouet van de ooievaars in hun nest, en ze liepen door, wachtten met oversteken van het grote pad op een groepje renners, gingen aan de andere kant het park weer uit en liepen door de oude wijk terug naar huis; ondertussen bij etalages stilstaand, die lamp misschien, en hier kunnen we nog voor meer borden kijken. Zo gingen ze &mdash en alles aan hen moet geluk hebben uitgestraald.

# | Zes reacties | 10 Maart 2010

Nooit haast hier

We zaten aan de boulevard en het was middag. De avond ervoor hadden we hier ook gezeten, bij dezelfde tent, we hadden even moeten kijken, maar ja, zie die lampen, daar hadden we het over gehad, Ikea-lampen, dus in Griekenland moesten ze Ikea hebben. De avond ervoor hadden we frappés gedronken. Nu Fanta Lemon, en het ging hard, want het was heet.
Op de boulevard waren perkjes aangelegd, kleine stukjes gras met een muurtje eromheen, een boom in het midden. Verderop het beeld van Onassis, neergezet door mensen die zich zijn vrienden hadden genoemd.

Er kwam een groepje aangelopen, drie orthodoxe priesters met grote baarden, in zwarte gewaden en een een stuk of tien, twaalf meisjes.
Ze bleven hangen bij het perkje recht voor ons, één priester leunde tegen de boom, pakte de weinige schaduw die de boom gaf, de andere twee praatten met elkaar, de meisjes gingen op de muurtjes rond de perkjes zitten, twee gingen bij de priester onder de boom staan. De jongste van de twee leunde tegen hem aan, nonchalant, ze maakten grapjes, er werd gelachen.
Een van de meisjes had een gitaar.
Ze droegen allemaal nette rokken; het meisje dat het gewaagdst was gekleed, was ook nog tuttig.

Wij zaten en we keken. We vroegen ons af wat de situatie was — een schoolklas op stap? Nee, het was zaterdag, en scholen zullen nu toch ook wel vakantie hebben hier?
Een van de priesters wees een kant op, de helft van het groepje liep weg, een paar meisjes en de priester onder de boom bleven nog even hangen.
Wij bestelden nog een Fanta Lemon.
Het strandje waar we vandaag naartoe wilden rijden was dichtbij. Geen haast. Nooit haast, hier.

# | Twee reacties | 09 Maart 2010

Langere, rechtere wegen

Ik tilde mijn fiets de trap af, trok onderaan de trap mijn schoenen aan, zette mijn helm op, en rolde mijn fiets naar buiten. Ik klikte mijn schoenen vast en reed weg, de Postjesweg op, en ik wilde mijn achterblad schakelen naar een zwaardere versnelling, maar ik maakte 'm lichter — ik was vergeten hoe het schakelen ging. Ik had te lang niet gefietst.
Maar het voelde goed, rijden, na een winter vol sneeuw, al was het nog koud; de snelheid binnen een paar trappen, de fiets die nog harder wilt en het zware lichaam dat erop zit bijna achter wilt laten, de spieren in mijn benen die al meteen protesteren en tegelijkertijd om meer vragen.

Ik reed over de Derkinderenstraat naar de Plesmanlaan, kou door m'n kleren heen, ook al had ik vier lagen aangetrokken, en een koude kop; ik had verwacht dat de helm kou tegen zou houden, maar dat was dom. Die helm heeft spleten, en de kou kwam door de spleten heen.
Op de Plesmanlaan snoot ik m'n neus op de onbeschaafdste manier: achterom kijken en snuiten zonder zakdoek. Sommige mannen drukken eerst het ene neusgat en dan het andere dicht, maar ik blaas ze samen leeg.
Over de brug naar Badhoevedorp ging ik rechts, zette weer aan, was van plan naar Halfweg te rijden, maar het was te koud op m'n kop en het werd niet warmer. M'n handen tintelden al in m'n handschoenen, dat wel.

Verderop zag ik het viaduct over de ringvaart terug naar Amsterdam. Ik had 'm nooit genomen, die weg, er stond een bordje 'Osdorp' bij, en Osdorp kende ik wel. Maar nu wilde ik terug, weg uit die kou.
Ik zakte linksaf de dijk af, reed de verhoging naar de brug op, een lange helling tegen het talud van de brug aan, in tegenovergestelde richting met zestig meter verderop een haarspeldbocht, langs de jongetjes die hun fiets de steile trap opduwden. Ik reed, zij liepen, en zij waren eerder. Ze waren al op de brug zelf toen ik er kwam, reden slingerend over het fietspad. Ik belde; ik heb een klein belletje op mijn stuur dat een helder geluidje laat horen. Veel is het niet, maar het is genoeg, de jongetjes maakten ruimte, maar ze riepen wel iets, ze moesten stoer zijn.

Van de brug af: snelheid.
En een stoplicht.

Terug door Osdorp, over Tussenmeer, mijn oude Tussenmeer, dat was de wereld, toen ik twaalf was. Op het fietspad zat ik achter een scooter met een stel erop, een jongen die langzaam reed, een meisje achterop dat dikker was dan hij en hem helemaal uit het zicht nam.

langs de Sloterplas, door het park, weer naar de Postjesweg, en ik bleef het koud hebben, alleen mijn handen waren warm.
Een te kort rondje dat naar meer deed verlangen, langere, rechtere wegen, een paar graden warmer maar, of gewoon een muts onder die helm.

# | Vier reacties | 08 Maart 2010
Ik heb nu de derde slechte recensie gelezen over het nieuwe boek van Yolanda Entius, en ik ga het niet lezen omdat ik zo lui ben dat ik recensenten geloof als ze in de meerderheid zijn, terwijl ik het idee van het boek zo goed vind: een touringcarongeluk met een schoolreisje, één dood kind, en de ouders van alle kinderen wachten samen omdat ze nog niet weten welk kind dood is. Er zou een veiling voor goeie ideeën moeten zijn. Of ik zou geen recensies moeten lezen die mij van het lezen afhouden. {1}

Te vaak ossehaas

Mijn zuster zat in de hal. Ik zag haar door het raam.
Mijn neefje zat in de stoel naast haar, met zijn DS. Hij speelde. Ik ging door de draaideur naar binnen.
Ze zitten te eten, zei mijn zuster, daar mogen wij niet bij zijn.
Ik ging naast mijn neefje zitten. Hij had Mario op zijn DS. Hij zat in een wereld met water dat steeg en weer daalde.
Hoe ziet het er verder uit, hier, vroeg ik.
Wel goed, zei ze. Ze hadden alleen een fout gemaakt in het Lucas, ze hadden gezegd dat ze geen zuurstof nodig had bij het lopen, dus ze hebben geen flessen meegegeven. Dus ik heb even flink gevloekt, zei mijn zuster. Maar morgen neem ik flessen mee. Dan kan ze zonder de kachel.
De kachel is het apparaat waar mijn moeder nu haar zuurstof uit krijgt. Zo noemt ze het apparaat zelf, en wij zijn het ook zo gaan noemen.

Ze zat nog in de eetzaal. Ze zat aan een grote tafel tussen andere oude vrouwen. Er waren drie mannen in de eetzaal: twee oude en een jongere, met een lichaam dat meer romp was dan iets anders. Ze keek op toen we in de deuropening stonden. Daarna keken alle oude mensen naar ons.
Een verpleegster haalde haar van tafel. Ze trok de stekker van de kachel uit de muur en de kachel piepte. De verpleegster rolde mijn moeder naar de gang, waar een zitje was; met een hand duwde ze de rolstoel, met de andere rolde ze de kachel. Bij het zitje stopte ze de stekker van de kachel weer in het stopcontact; de kachel hield op met piepen.
Mijn neefje klapte zijn DS weer open en speelde verder. Hij was in een wereld waarin Mario als een reus doorheen stapte.

We zaten een half uur. Toen rolden we mijn moeder zelf naar haar kamer.
Ze deelde een kamer met drie mensen. De andere drie zaten nog steeds in de eetzaal.
We maakten lichten, hielpen haar op bed, sloten de kachel weer aan, vroegen of ze nog iets wilde. We vroegen of het gordijn tussen haar en het bed naast haar open of dicht moest.
Laat maar dicht, zei ze. De man naast me is een zeur, zei ze, hij is blind en vraagt de hele tijd hoe ik eruit zie.
"Ik heb hele grote tieten," zei ik.
We lachten.

Mijn zuster had de deur van haar autootje op een kier laten staan. Haar stoel was nat geworden. Mijn neefje ging achterin zitten.
Mijn zuster stuurde haar autootje uit de parkeerplaats met wilde armbewegingen.

We zochten een plek bij het restaurant van haar man.
Hier, zei ik.
Nee, zei mijn zuster, dat kan ik niet met mijn armen. Mijn zuster heeft MS; ze kan niet heel veel met haar armen.
We vonden een plek waar ze zo in kon rijden.

We aten ossehaas.
Mijn neefje at zijn halve ossehaas niet op.
We eten te vaak ossehaas, zei mijn zuster, drie keer per week.
Mijn neefje zat in een wereld met vliegende blokjes. De blokjes hadden vleugels, en vraagtekens.

# | Vijf reacties | 06 Maart 2010

Planeet vandenb

1.

Ik heb op poppetjes gestemd. Op Asscher van de pvda omdat ik 'm sympathiek vind, op Boris van der Ham van D66 voor het stadsdeel omdat ie leuk twittert. Poppetjes hebben de toekomst; partijprogramma's zijn heel erg twintigste eeuw.

2.

Ik heb gisteren een beetje ruzie gemaakt met mijn oude moedertje op haar ziekenhuiszaal. Mijn oude moedertje is nogal doof — toen de mensen aan de overkant van de zaal zich ermee begonnen te bemoeien, heb ik ook boos iets tegen hun gezegd, maar mijn moeder dacht dat ik nog meer bozigs tegen haar zei.
Achteraf is het allemaal heel grappig.

3.

Ik had daar dus een heel stukje over kunnen schrijven. Lekker uitsmeren, beetje drama, beetje grappig — uitstekend materiaal voor een stukje.
Maar ja, ik was al met een planeet vandenb begonnen.

4.

Nu zit ik dus te denken wat ik nog meer te vertellen heb.

5.

Niet veel, blijkt.
Het gaat erg goed hoor.
Dat u niet denkt: die vandenb zit ergens ongelukkig te zijn.
Integendeel: ik ben juist erg gelukkig. Maar over geluk valt erg weinig te schrijven.

# | Zes reacties | 04 Maart 2010

alles © Walter van den Berg.

Mijn krenten in uw pap